Reactie op NRC artikel 'Donorconceptie is niet met adoptie vergelijkbaar'

Opinie Fiom donorconceptie
16/11/2018 -
Categorie: DNA, Donorschap

De aanhef 'Donorconceptie is niet met adoptie vergelijkbaar' in samenhang met de subkop 'Wensouders zijn geen egoïsten' wekt, hopelijk onbedoeld, de suggestie dat adoptieouders wel egoïsten zijn. In het artikel dat eerder verscheen in het NRC, gaan schrijvers er gemakshalve aan voorbij dat adoptie in het leven is geroepen als kinderbeschermingsmaatregel ten behoeve van een al bestaand kind en niet als een manier van gezinsvorming.  Dat de wens tot gezinsvorming daarbij ook aanwezig kan zijn doet aan dit uitgangspunt niet af.

Het ten onrechte op één hoop gooien van adoptie en donorconceptie (en de gevolgen daarvan) gaat verder waar zij programma’s als Spoorloos en DNA Onbekend aanvoeren als “tekenen van een groeiend geloof met betrekking tot het fundamentele belang voor de vorming van een stabiele identiteit”. Immers deze programma’s gaan, op een enkele uitzondering na, niet over donorconceptie. 

Schrijvers Guido de Wert en Wubo Dondorp beroepen zich, en niet voor het eerst, op het geven dat er geen enkel empirische basis is voor de claim dat via donorconceptie verwekte kinderen boven gemiddeld kwetsbaar zouden zijn voor psychosociale problemen. Waar deze claim vandaan komt wordt niet duidelijk. En vanuit onze praktijk blijkt ook niet dat de meeste van deze kinderen bovengemiddeld kwetsbaar zijn. Maar de kans hierop wordt natuurlijk wel groter als zij verstoken blijven van statusvoorlichting en hun (wettelijk) recht op afstammingsinformatie. Deze informatie dient hen bij voorkeur door hun ouder(s) te worden verstrekt om daarmee de kans op het ontstaan van mogelijke psychosociale problemen te verkleinen.

Bovendien is empirisch bewijs moeilijk te leveren als (een groot deel van) de onderzoeksgroep niet weet dat zij tot de bewuste groep behoren. Dit als gevolg van het feit dat de wensouders vanuit de medische hoek werd geadviseerd om het verhaal omtrent hun ontstaansgeschiedenis niet met hun kinderen te delen. “Wat niet weet, wat niet deert” was daarbij het motto. Een gevaarlijk motto zoals we inmiddels weten. Immers als het niet weten op enig moment weten wordt kan het wel degelijk beschadigen. Het raakt ieder mens als hij op enig moment ontdekt dat het verhaal omtrent zijn ontstaansgeschiedenis een ander is als door zijn ouder(s) verteld. En zelfs al ontstaan er dan nog niet altijd psychosociale problemen, waarom het risico lopen? Door je kind op leeftijdsconforme wijze zijn ontstaansgeschiedenis te vertellen, loop je geen enkel risico. Het “geheim” speelt geen enkele rol meer en zal de verhoudingen tussen ouder(s) en kind en en/of ouders onderling niet meer negatief beïnvloeden.

Daarnaast is geheimhouding tegenwoordig niet meer te garanderen. Door de opkomst van de (vooral Amerikaanse) DNA-databanken kan anonimiteit niet meer gegarandeerd worden en kan iedereen, gevraagd of ongevraagd, met biologische familie geconfronteerd worden. Dus als ouder(s) loop je, wanneer je je kind niet zelf informeert, voortdurend het risico dat je kind op een ander wijze informatie verkrijgt omtrent zijn ontstaansgeschiedenis, met alle mogelijke gevolgen van dien.

Het vervullen van een kinderwens is prachtig maar wat is erop tegen om daar ook het belang van het kind vanaf het begin in mee te nemen, door het verhaal van zijn ontstaansgeschiedenis vast te leggen. Statusvoorlichting kan spelenderwijs al op jonge leeftijd, leeftijdsconform, geschieden en om de ouder(s) daarbij te helpen, zijn er inmiddels tal van hulpmiddelen beschikbaar.

De realisatie van het (inmiddels) juridische recht op afstammingsinfo is een groot goed maar om van dit recht gebruik te kunnen maken blijft het kind wel afhankelijk van zijn ouder(s).
Terecht stellen schrijvers dat het recht op afstammingsinfo geen recht op contact omvat. Dat moet ook zo blijven, al was het alleen maar vanwege het gegeven dat echt contact alleen kan plaatsvinden als beide partijen daartoe bereid zijn.

Hans van Hooff, senior specialist beleid Fiom