Surrogate mothers 10 years on: a longitudinal study of psychological well-being and relationships with the parents and child

Artikel  

Jadva, V., Imrie, S., & Golombok, S. (2014). Surrogate mothers 10 years on: A longitudinal study of psychological well-being and relationships with the parents and child. Human Reproduction, 30(2), 373-379

Titel 

Surrogate mothers 10 years on: a longitudinal study of psychological well-being and relationships with the parents and child.

Onderwerp   

Een longitudinale studie naar de ervaringen en psychosociale gezondheid van draagmoeders. 

Samenvatting   

Het artikel beschrijft een longitudinaal vervolgonderzoek naar de ervaringen van 20 draagmoeders uit het Verenigd Koninkrijk. De originele steekproef bestond uit 34 draagmoeders; 20 van hen namen deel aan de vervolgstudie (59%). De ervaringen en de psychische gezondheid van de respondenten zijn via vragenlijsten en semi-gestructureerde interviews onderzocht, 1 jaar en 10 jaar na de bevalling. De gemiddelde leeftijd van de draagmoeders 10 jaar na de bevalling is 43 jaar. De sociaal economische klasse van de steekproef is gemengd. Er is 11 maal sprake van laag technologisch draagmoederschap (de draagmoeder is de genetische moeder van het kind) en 9 maal van hoog technologisch draagmoederschap (de wensouders zijn de genetische ouders). 4 draagmoeders kenden de wensouders al voordat ze draagmoeder werden (als vrienden of familie); 16 draagmoeders kwamen pas in contact met de wensouders in verband met hun zoeken naar een draagmoeder.

De psychische gezondheid van draagmoeders en kwaliteit van de relatie met hun partner

Uit het onderzoek blijkt dat de psychische gezondheid van de draagmoeders in orde is. Zowel de kwaliteit van de relatie met hun partner als het zelfvertrouwen van de draagmoeders blijkt gemiddeld tot bovengemiddeld te zijn. Depressies zijn ook niet aan de orde.

Frequentie van contact met ouders en kind

Sinds de eerste steekproef zijn drie moeders overleden. De meerderheid van de draagmoeders heeft contact met de moeder (75%), de vader (80%) en met het kind (75%). Het contact vindt meestal face-to-face plaats. Een significant verschil is gevonden tussen het contact 1 jaar en 10 jaar na de bevalling: de draagmoeders geven aan na 10 jaar minder contact te hebben met het kind en met de vader, vergeleken met 1 jaar na de bevalling. Er is geen verschil gevonden in de frequentie van het contact met de moeder. Twee van de 20 draagmoeders ervaren het contact als onvoldoende, zowel 1 jaar als 10 jaar na de bevalling. 

Relatie met ouders en kind

Van de 15 draagmoeders die in contact zijn met de moeder, rapporteert 93% dat er sprake is van een positieve relatie. Eén draagmoeder geeft aan dat er alleen schriftelijk contact is 1 á 2 keer per jaar. Van deze 15 draagmoeders vindt de helft (53%) dat de relatie door de jaren heen is veranderd in positieve zin. Wat betreft de relatie met de vaders, ervaren 14 van de 15 draagmoeders de relatie als positief, en rapporteert één respondent dat er geen relatie is. Zeven draagmoeders vinden dat de relatie met de vader positief is veranderd door de jaren heen.
Tot slot, de relatie met het kind. 15 draagmoeders zijn in contact met het kind, waarvan 14 respondenten de relatie als positief beschouwen, en één respondent geeft aan geen relatie te hebben. Drie draagmoeders vinden dat de relatie met het kind positief veranderd is, en dat deze veranderingen vooral leeftijd gerelateerd zijn.

Gevoelens ten opzichte van het kind

De gevoelens t.o.v. het kind blijven door de jaren heen relatief stabiel. Meer dan de helft van de draagmoeders (60%) ervoer 1 jaar na de bevalling geen speciale band met het kind; 45% vindt dit na 10 jaar nog steeds, de anderen ervaren nu wel een speciale band. Acht (40%) draagmoeders vonden hun band met het kind wel speciaal na 1 jaar, en 30% vindt dat na 10 jaar nog steeds. Er is geen verschil gevonden tussen bekende en onbekende draagmoeders in hun gevoel ten opzichte van het kind; geen van de draagmoeders heeft het gevoel alsof het haar eigen kind is. Er is wel een verschil gevonden tussen draagmoeders die het kind kregen via hoogtechnologisch- of laagtechnologische draagmoederschap. Van de hoogtechnologische draagmoeders geeft 73% aan een speciale band met het kind te hebben, in tegenstelling tot 11% van de laagtechnologische draagmoeders.

Verwachtingen voor de toekomst

Alle 20 draagmoeders geven aan dat de relatie met de ouders is zoals ze van tevoren hadden verwacht. Elf van de 20 hopen in de toekomst in contact te zijn met het kind en de ouders.

Conclusie

De auteurs concluderen dat het grootste deel van de draagmoeders in dit onderzoek geen psychische problemen heeft ervaren in de tien jaar na de bevalling van het kind. Ook blijven de meeste draagmoeders nog in contact met de ouders en het kind. Er is veel variatie gevonden in de frequentie van contact met de ouders en het kind, waarbij 15% van de vrouwen 10 jaar later geen contact heeft met het kind. In dit onderzoek is ook gevonden dat hoogtechnologische draagmoeders vaker aangeven een speciale band met het kind te hebben dan laagtechnologische draagmoeders. De auteurs geven hiervoor de verklaring dat laagtechnologische draagmoeders zich vaker distantiëren van het kind om emotioneel niet tussen het kind en de ouders te komen, of om een duidelijke grens te trekken tussen eigen kinderen en het kind dat ze hebben gedragen voor de andere ouders.

Auteurs   

Jadva, V., Imrie, S., & Golombok, S.  

Uitgave 

19 december 2014 (artikel: 1 februari 2015)

Opdrachtgever   

Centre for Family Research, Department of Psychology