Surrogacy: the experiences of surrogate mothers

Artikel  

Jadva, V., Murray, C., Lycett, E., MacCallum, F., & Golombok, S. (2003). Surrogacy: the experiences of surrogate mothers. Human reproduction, 18(10), 2196-2204.  

Titel  

Surrogacy: the experiences of surrogate mothers

Onderwerp

Dit onderzoek behandelt vier thema’s over de ervaringen van draagmoeders: de motivatie om draagmoeder te worden, de relatie met en frequentie van contact met de wensouders en het kind, de ervaringen voor en na het afstaan van de baby, en de mate van openheid over het draagmoederschap tegenover familie en vrienden.

Samenvatting  

De vier thema’s zijn uitgevraagd bij 34 draagmoeders één jaar na de bevalling, middels een semigestructureerd interview. De gemiddelde leeftijd van de draagmoeders is 34 jaar, en 41% komt uit een lage sociaal economische klasse. Van de 34 respondenten is 67% getrouwd of samenwonend. De draagmoeders zijn afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk. Ongeveer de helft van de respondenten (56%) deed al mee aan een ander onderzoek, en de overige vrouwen (44%) werden geworven via een organisatie genaamd ‘Childlessness Overcome Through Surrogacy’ (COTS). Bij de respondenten was sprake van laag technologisch (56%) of hoog technologisch (44%) draagmoederschap. Bij laagtechnologisch draagmoederschap is de draagmoeder ook de genetische moeder van het kind, en bij hoogtechnologisch draagmoederschap zijn de wensouders de genetische ouders. 

Thema 1: Motivatie voor draagmoederschap

De respondenten konden als motivatie voor draagmoederschap meerdere opties opgeven. De meeste vrouwen geven aan dat zij wensouders wilden helpen om een kind te krijgen (91%). Andere respondenten zeggen veel plezier te halen uit de zwangerschap (15%), voldoening te halen uit het draagmoeder zijn (6%), en één respondent gaf aan dat geld de motivatie was (3%). 

Thema 2: Relatie en frequentie contact met de wensouders voor en tijdens de zwangerschap

De meeste respondenten hebben een harmonieuze relatie met de wensouders, zowel vóór de zwangerschap, bij de start van de zwangerschap, als tijdens de laatste paar maanden van de zwangerschap. Eén respondent geeft aan met de wensmoeder een conflictueuze en vijandelijke relatie te hebben. Twee respondenten geven aan met de wensvader een ontevreden, conflictueuze of vijandelijke relatie te hebben.. 
Het grootste deel van de respondenten ziet de wensouders eens per maand (71% de wensmoeder en 65% de wensvader), waarbij de wensmoeder vaak erg betrokken is (83%), en de wensvader matig (47%) tot erg betrokken (44%).

Relatie en frequentie contact met het kind

Elf draagmoeders (32%) hebben één keer per maand contact met het kind, acht draagmoeders (24%) hebben het kind niet gezien sinds de geboorte, en de overige 15 (44%) hebben het kind één keer tot één keer per maand in het afgelopen jaar gezien.
Aan de draagmoeders werd gevraagd wat zij verwachten van de rol die zij gaan spelen in het leven van het kind. Hierin is een onderscheid gemaakt tussen bekende draagmoeders en onbekende draagmoeders. Van de zeven bekende draagmoeders hadden drie (43%) verwacht dat ze een speciale rol zouden spelen in het leven van het kind, en vier (57%) hadden verwacht geen rol te spelen in het leven van het kind. Van de onbekende draagmoeders verwachten 14 (52%) dat ze contact zullen hebben met het kind, vier (15%) dat ze een speciale rol zouden spelen in het leven van het kind, vier (15) dat ze contact zullen blijven behouden met de ouders maar niet met het kind, en vijf (18%) verwacht geen betrokkenheid te hebben met de familie. Wat betreft de gevoelens van de draagmoeder ten opzichte van het kind, voelden 14 draagmoeders (41%) een speciale band, en 20 (59%) voelden geen speciale band. Geen van de draagmoeders had het gevoel alsof het haar eigen kind is. Wanneer bekende en onbekende draagmoeders worden vergeleken, is er een significant verschil gevonden in het voelen van een speciale band. Onbekende draagmoeders rapporteren vaker een speciale band te voelen, dan bekende draagmoeders.
Er is gevraagd aan de draagmoeders of zij vinden dat het kind moet weten over het draagmoederschap. Het merendeel (77%) vindt van wel, de overige acht (23%) vinden dat het niet hun beslissing is om te maken. Van de laagtechnologische draagmoeders, vindt 90% dat het kind geïnformeerd moet worden en bij de hoogtechnologische draagmoeders is dit 60%.

Thema 3: Ervaring voor en na het afstaan van de baby

Ongeveer een derde van de respondenten (35%) ervaart (matige) moeilijkheden de weken voor het afstaan van de baby. Na het afstaan, ervaart 15% moeilijkheden. De onderzoekers vergelijken twee groepen met elkaar: draagmoeders met bekende wensouders en draagmoeders met onbekende wensouders. Het blijkt dat een jaar na de geboorte de vrouwen die voor een bekende een kind droegen meer moeite hebben met het afstaan van het kind. Tot slot, geen van de respondenten had een klinische score voor depressie. 

Thema 4: Openheid tegenover familie en vrienden

Het grootste deel van de vrouwen (97%) heeft het draagmoederschap besproken met familie. Hiervan ervaarden twee draagmoeders de reactie van de familie als negatief, 15 (46%) als neutraal/ gemengd, en de overige respondenten (48%) vinden de reacties positief. 
Van de 34 vrouwen had 62% een partner op het moment dat een beslissing is gemaakt om draagmoeder te worden. Hiervan reageerde 19% negatief op het nieuws, maar een jaar verder is er nog maar één partner (4%) die neutrale of gemengde gevoelens heeft. De draagmoeders rapporteren wel dat zij zich voornamelijk gesteund voelen in het draagmoederschap door de partners. Tijdens het draagmoederschap had 94% eigen kinderen. Geen van de kinderen reageerden negatief, maar vijf (16%) reageerden wel neutraal of gemengd op het nieuws. Bij het afstaan van de baby reageerden 9% van de eigen kinderen neutraal of gemengd.

Conclusie

De onderzoekers concluderen dat het draagmoederschap over het algemeen een positieve ervaring is geweest voor de respondenten. Geen van de draagmoeders heeft twijfels over het afstaan van het kind, of ervaart grote problemen in de relatie met de wensouders. Ook ervaren zowel de laag- als hoogtechnologische draagmoeders geen een speciale band met het kind. Wel geven een aantal draagmoeders aan nadelige psychische gevolgen te hebben ondervonden vlak na het afstaan van het kind. Maar deze gevolgen waren niet ernstig en van korte duur.  

Auteurs  

Jadva V., Murray C., Lycett E., MacCallum F. en Golombok S.

Uitgave

1 oktober 2003

Opdrachtgever  

Family and Child Psychology Research Centre, City University