De procedure bij een voornemen tot afstand ter adoptie

Bij een voornemen tot afstand ter adoptie wordt een juridische procedure in gang gezet. In Nederland betreft deze procedure een afspraak tussen de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg Nederland, Fiom en Siriz. Dit is vastgelegd in het ‘afstandsprotocol’. 

De Raad voor de Kinderbescherming is verantwoordelijk voor het juiste verloop van de procedure en voor het bewaken van de planning en voortgang. Jeugdzorg Nederland is verantwoordelijk voor het kind. Fiom - of soms Siriz -  begeleiden de moeder en indien betrokken de biologische vader. 

Voor de bevalling

Als een zwangere vrouwaangeeft dat ze het voornemen* heeft haar kind af te staan ter adoptie wordt hiervan een melding gedaan aan de Raad voor de Kinderbescherming. De vrouw kan zich aanmelden bij Fiom of Siriz voor begeleiding.

Een hulpverlener bespreekt met haar de situatie en onderzoekt of de biologische vader hierbij betrokken kan worden2. De hulpverlener maakt vanaf het begin duidelijk dat de moeder haar uiteindelijke besluit pas drie maanden na de bevalling neemt. Ze steunt de moeder, geeft haar ruimte voor haar gevoelens, gaat in op haar zorgen en geeft informatie over de mogelijkheden en alternatieven. Daarnaast bespreekt zij met de moeder wat haar wensen zijn ten aanzien van de bevalling: wil zij haar kind zien na de geboorte, wil zij haar kind vasthouden, wie doet aangifte, wil zij het zelf een naam geven etc. Deze informatie geeft de hulpverlener door aan het ziekenhuis waar de vrouw gaat bevallen.

*’Voornemen tot afstand ter adoptie’ wordt een ‘voornemen’ genoemd om te benadrukken dat het werkelijke besluit tot afstand pas drie maanden ná de bevalling door de moeder genomen wordt. Haar gevoelens en gedachtes kunnen nog veranderen in de loop van de zwangerschap en in de eerste maanden na de bevalling.

Voorlopige voorziening na de bevalling

Zodra de moeder bevallen is, meldt de verpleging of Fiom dit dezelfde dag nog bij de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad voor de Kinderbescherming regelt vervolgens het gezag. Een moeder heeft, als ze meerderjarig is, automatisch ouderlijk gezag over haar kind. Dit betekent dat ze verplicht is om het kind te verzorgen en op te voeden. Heeft ze na de bevalling nog steeds het voornemen haar kind af te staan, dan ziet ze in feite af van het gezag. De Raad voor de Kinderbescherming vraagt de rechter dan om een Voorlopige Voorziening in het gezag. De rechter wijst het gezag over het kind meestal tijdelijk toe aan een voogd van een jeugdzorginstelling.

Neutraal-terrein-gezin

Zodra de jeugdzorginstelling het gezag over het kind heeft, schakelt het Pleegzorg in om het kind in een tijdelijk pleeggezin te plaatsen. Dit gezin heet een neutraal-terrein-gezin. Meestal halen deze pleegouders het kind binnen een paar dagen na de bevalling uit het ziekenhuis op. Door deze plaatsing, die in principe maximaal drie maanden mag duren, wordt voor de moeder een bedenktijd ingebouwd. In de periode dat het kind in het neutraal-terrein-gezin verblijft heeft ze de tijd om haar voornemen om afstand te doen zorgvuldig te overwegen. Zo heeft zij de ruimte voor haar gevoelens en om te beseffen wat er is gebeurd. Ze kan haar kind bezoeken wanneer zij dat wil en kan zo voor zichzelf onderzoeken hoe zij tegenover haar kind staat. Zij krijgt in die periode - op vrijwillige basis - intensieve begeleiding van Fiom.

Fiom steunt de moeder, moedigt haar aan stil te staan bij haar gevoelens en bespreekt met haar de mogelijkheden en alternatieven. Als zij binnen drie maanden na de geboorte van het kind laat weten dat zij terug wil komen op het eerder genomen besluit tot afstand, wordt er in principe gewerkt aan een zo spoedig mogelijke hereniging van moeder en kind.

Ontheffing ouderlijke macht

Als de moeder na de drie maanden periode besluit tot afstand ter adoptie, gaat het kind zo spoedig mogelijk naar aspirant adoptieouders. Fiom bespreekt met de moeder haar wensen ten aanzien van mogelijke adoptieouders. Deze wensen geeft Fiom door aan de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder ondertekent een ‘afstandsverklaring’ en de Raad voor de Kinderbescherming vraagt de rechter haar te ontheffen uit de ouderlijke macht. Wanneer de moeder minderjarig is, heeft ze geen gezag over haar kind. In dat geval dient de Raad voor de Kinderbescherming geen verzoek tot ontheffing in, maar een verzoek tot gezag voorziening. In beide gevallen gaat de voogdij over het kind, indien de rechter ermee instemt, naar de jeugdzorginstelling of naar de aspirant adoptieouders.

Indien de moeder getrouwd is, moet ook haar wettige echtgenoot een afstandsverklaring ondertekenen, los van het feit of hij de biologische vader van het kind is.

Adoptieverzoek

De aspirant adoptieouders kunnen nadat zij het kind één jaar verzorgd hebben, bij de rechter een adoptieverzoek indienen. Het kind kan dan definitief door hen geadopteerd worden. Voor deze rechtszitting ontvangt de moeder een uitnodiging. Tot het moment dat de juridische adoptie een feit is, kan zij in principe terugkomen op haar besluit tot afstand. Toch zal het in deze fase van de procedure moeilijk zijn om haar kind alsnog bij zich geplaatst te krijgen. De rechter zal dan in de meeste gevallen de adoptie uitstellen en een onderzoek instellen. Het belang van het kind staat daarbij voorop.

Bij eenouderadoptie is de verzorgingstermijn - waarna de adoptie kan worden aangevraagd - drie jaar.

[1] Voor de leesbaarheid en omdat de biologische vader vaak niet betrokken is bij het besluit tot afstand, spreken we voornamelijk over de vrouw, moeder of ouder(s), en over ‘haar’ in plaats van ‘hun’.

[2] De biologische vader heeft het recht mee te beslissen. Fiom neemt in haar verslaglegging op welke inspanning zij gedaan heeft om hem er bij te betrekken. Dit is ook voor het kind van belang als het meer wil weten over zijn/haar afkomst.