Cijfers en feiten

In 2021 werden 31.049 zwangerschapsafbrekingen uitgevoerd. Dit zijn 315 zwangerschapsafbrekingen minder dan in 2020. Veruit het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen (85%) vindt plaats in het eerste trimester (t/m 12 weken zwangerschap). Meer dan de helft van de behandelde vrouwen had al één of meer kinderen.  

De belangrijkste cijfers van 2021 op een rij

afbrekingzwangerschap-2021
*de andere 9% zijn buitenlandse vrouwen die naar NL komen voor een abortus)

De belangrijkste bron voor abortuscijfers is de jaarlijkse rapportage over abortuszorg van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De (geanonimiseerde) cijfers worden door de klinieken en ziekenhuizen aangeleverd. Zij zijn hiertoe verplicht vanuit de Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ). De meest actuele jaarrapportage is uitgegeven in september 2022 en bevat de cijfers over het jaar 2021. Hieronder wordt een aantal conclusies uit dit jaarrapport weergegeven.

Trends

Aantal zwangerschapsafbrekingen daalt licht

Het totale aantal zwangerschapsafbrekingen (inclusief overtijdbehandelingen) lag sinds het jaar 2000 rond de 33.000 per jaar. Vanaf 2008 daalde het aantal zwangerschapsafbrekingen op jaarbasis. De laatste jaren zien we afwisselend een lichte stijging of daling. In 2021 is het aantal zwangerschapsafbrekingen licht gedaald (n= 315,1%).

Daling afbreking tienerzwangerschappen stopt

Sinds 2002 daalt het aantal afbrekingen bij tienerzwangerschappen (vrouwen tot 20 jaar). We zien dat de daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen bij tieners in 2019 stagneerde, in 2020 verder daalde en in 2021 opnieuw stopt. 2.383 abortussen vonden in 2021 plaats bij vrouwen tot 20 jaar. Dat is 7,7% van alle afbrekingen. 

Onder vrouwen tot 15 jaar vond een toename van het aantal zwangerschapsafbrekingen plaats van 58 in 2020 naar 101 in 2021. Deze stijging riep onder andere in de media vragen op. Toch blijft het aandeel van vrouwen tot 15 jaar klein en heeft het aantal zwangerschapsafbrekingen binnen deze leeftijdsgroep de afgelopen jaren geschommeld. Dit maakt het lastiger om aan te geven waarom het aantal abortussen bij hen hoger was dan in 2020. De cijfers over 2022 moeten uitwijzen of er een stijgende trend is onder deze leeftijdsgroep.

Abortuscijfer en abortusratio gedaald

Het abortuscijfer is – volgens de internationale definitie - het aantal zwangerschapsafbrekingen per 1.000 vrouwen van 15 tot en met 44 jaar. Het abortuscijfer verbindt het aantal abortussen aan het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De behandelingen van (Nederlandse) vrouwen die in het buitenland wonen, zijn hierin niet meegerekend. Het abortuscijfer is sinds 2002 redelijk stabiel rond de 8,6. Na een aantal jaren lichte stijging zien we in 2021 een daling van het abortuscijfer naar 8,7.

De meeste zwangerschapsafbrekingen waren bij vrouwen die in Noord- of Zuid-Holland woonden. Dit is deels te verklaren door het verschil in inwoneraantal per provincie. Wanneer we naar de abortuscijfers per provincie kijken zijn deze in Flevoland (12,8) en Noord-Holland (11,0) het hoogst. In Drenthe (4,6) en Gelderland (6,2) is dit cijfer het laagst.

De abortusratio geeft de verhouding aan tussen het aantal zwangerschapsafbrekingen en het aantal levend geboren kinderen in dat jaar. In 2021 was dit 157, 12 punten lager dan in 2020. Dit komt doordat er minder zwangerschapsafbrekingen waren en een stijging van levendgeborenen. In 2021 werden 178.506 kinderen levend geboren, bijna 10.000 meer dan in 2020.  

Aantal abortusbehandelingen bij buitenlandse vrouwen stijgt

Het percentage vrouwen dat uit het buitenland naar Nederland komt voor een abortusbehandeling schommelde tot 2016 rond de 13 procent van alle afbrekingen. Sindsdien was er een daling zichtbaar. In 2021 is 9,5% van de behandelingen uitgevoerd bij vrouwen woonachtig in het buitenland. Dat aantal ligt iets hoger dan in 2020. De stijging wordt hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door striktere abortuswetgeving in een aantal andere Europese landen. Door de reisbeperkingen tijdens de coronapandemie waren de effecten hiervan nog niet zichtbaar in 2020. De meeste buitenlandse vrouwen zijn afkomstig uit Duitsland en Polen. Met name onder Poolse vrouwen is een flinke stijging te zien van 266 in 2019, 308 in 2020 naar 656 in 2021. 

Meeste zwangerschapsafbrekingen in de leeftijdscategorie 30-35

Voor 2015 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaatst bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar. In 2015 verschoof dit naar de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar. Dit jaar vindt er opnieuw een verschuiving plaats; de meeste zwangerschapsafbrekingen waren bij vrouwen tussen de 30 en 35 jaar, gevolgd door 25-30 jarigen. 47% van de afbrekingen vond bij deze twee leeftijdsgroepen plaats. Bij de leeftijdscategorieën tot 30 jaar zien we een lichte daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen, met uitzondering van vrouwen onder de 15 jaar. De leeftijdscategorieën 30-35 jaar, 35-39 jaar en 40-44 jaar kennen juist een lichte stijging.

 

Meeste abortussen in eerste 7 weken van de zwangerschap

Het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in de eerste 7 weken van de zwangerschap (65%). Bij 35% betrof het een overtijdbehandeling (abortuspil of curettage) in een abortuskliniek/ziekenhuis bij maximaal 16 dagen ‘overtijd’. Het percentage zwangerschapsafbrekingen in het tweede trimester is in 2021 gelijk aan 2020, namelijk 15%. 

Het aandeel overtijdbehandelingen blijft stijgen

Een overtijdbehandeling is een zwangerschapsafbreking in de periode tot 16 dagen ‘overtijd’, die zowel medicamenteus (‘abortuspil’) als instrumenteel (curettage) kan worden uitgevoerd.

De overtijdbehandeling verschilt van de overige zwangerschapsafbrekingen door de zwangerschapsduur en door wettelijke bepalingen: bij een overtijdbehandeling is de bedenktermijn niet wettelijk verplicht en geldt de wettelijke registratieverplichting voor zwangerschapsafbrekingen niet. Toch melden de meeste abortusklinieken de overtijdbehandelingen vrijwillig aan de inspectie.

Het aandeel overtijdbehandelingen neemt sinds 1990 toe. Dit wijst erop dat vrouwen hun (ongewenste) zwangerschap in een eerder stadium ontdekken. In 2017 en 2018 was er voor het eerst een daling te zien. Vanaf 2019 zien we weer een stijging van het percentage overtijdbehandelingen van circa3,5% ten opzichte van het jaar ervoor.

Helft zwangerschapsafbrekingen bij vrouwen met kinderen

Al jarenlang laten de cijfers zien dat meer dan de helft van de behandelde vrouwen al één of meer kinderen heeft. In 2021 is dit bij 53,6% het geval. Hierbij gaat het om het aantal kinderen dat de vrouw zelf heeft gekregen en/of waar zij zorg voor draagt. 

Eén derde onderging al eerder een zwangerschapsafbreking

Bij 66,2% van de behandelde vrouwen was het de eerste zwangerschapsafbreking. Bijna een kwart van de vrouwen (23,2%) had eerder één zwangerschapsafbreking ondergaan. De overige 10,6% hebben twee of meer zwangerschapsafbrekingen ondergaan. Deze cijfers wijken in 2021 niet af van voorgaande jaren. 

Percentage zwangerschapsafbrekingen in tweede trimester stabiel  

Voor het verrichten van tweede trimesterabortussen (zwangerschapsafbreking boven 12 weken) is een aparte vergunning vereist. De WAZ en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) stellen daarvoor aanvullende eisen. Ook de opleiding van abortusartsen maakt een onderscheid tussen de trimesters. In 2021 vond 15 procent van de zwangerschapsafbrekingen plaats in het tweede trimester (4.671). Dat percentage is de afgelopen jaren stabiel. In verhouding tot abortusklinieken is een groot deel van de zwangerschapsafbrekingen in het ziekenhuis een tweede trimesterbehandeling. 

Overgrote deel van behandelingen in abortusklinieken

Het overgrote deel van de zwangerschapsafbrekingen vindt plaats in abortusklinieken. Het aandeel van ziekenhuizen in de zwangerschapsafbrekingen schommelt de laatste jaren rond de 10%. Het absolute aantal afbrekingen in ziekenhuizen was in 2021 2.955.

Toename percentage zwangerschapsafbrekingen na prenatale diagnostiek 

Van de zwangerschapsafbrekingen had in 2019 5,2% een relatie met de resultaten van prenatale diagnostiek. In 2020 was dit 7% en in 2021 betreft het in 10,6% van de gevallen een afbreking op basis van de resultaten van prenatale diagnostiek. Hierbij wordt uitgegaan van het feit dat er geen prenatale diagnostiek kan plaatsvinden voorafgaand aan een overtijdbehandeling.

Grootste groep vrouwen meldt zich eerst bij de huisarts

47% van de vrouwen meldt zich voor een verwijzing naar de abortuskliniek bij de huisarts. Dit percentage neemt de afgelopen jaren af. In 2019 was dit nog 55,7% van de vrouwen. 4 op de 10 vrouwen (41,6%) gaat rechtstreeks naar de abortuskliniek. Sinds 2018 is een flinke stijging te zien van het percentage vrouwen dat direct naar een kliniek gaat voor een overtijdbehandeling. In 2018 was dit nog 41%, in 2021 betreft het 57,5%.

Vrouwen die in ziekenhuizen behandeld worden zijn relatief vaak verwezen door een ‘andere verwijzer’ (27,4% in ziekenhuizen versus 0,5% in abortusklinieken). Deze ‘andere verwijzers’ zijn met name de verloskundige, echocentrum, klinisch geneticus, cardioloog of internist, wat duidt op een medische indicatie voor de verwijzing naar het ziekenhuis.  

1 op de 2 vrouwen direct behandeld bij overtijdbehandeling

Een zwangerschap mag volgens een bepaling in de WAZ niet eerder worden afgebroken “dan op de zesde dag nadat de vrouw haar voornemen heeft besproken met een arts”*. Bij een overtijdbehandeling geldt de verplichte wachttijd niet. Toch werd in 2021 bij bijna 25% van de overtijdbehandelingen een beraadtermijn van een week of langer gehanteerd. Het is onbekend of deze beraadtermijn op verzoek van de vrouw is om tot een weloverwogen besluit komen of dat dit praktische redenen heeft, zoals een wachttijd in de kliniek of beschikbaarheid van de vrouw zelf. Ruim 49% liet zich meteen op de dag van de eerste afspraak behandelen.

* deze bepaling komt per 1 januari 2023 te vervallen

Helft van de overtijdbehandelingen medicamenteus 

In de behandeling bij zowel abortusklinieken als ziekenhuizen wordt in 34,3% van de gevallen gekozen voor het gebruik van medicijnen; een behandeling met de abortuspil. Dit is een stijging in de afgelopen jaren. Zo werd in 2018 in 26% van de gevallen voor een medicamenteuze behandeling gekozen. Bij overtijdbehandelingen ligt dit percentage hoger; daar wordt in ruim de helft (52%) van de gevallen voor de abortuspil gekozen. Dit is te verklaren doordat de abortuspil mogelijk is tot 9 weken zwangerschapsduur

Nacontrole na behandeling in abortuskliniek vooral door verwijzer

Na de abortusbehandeling wordt met de vrouw een afspraak gemaakt voor een medische nacontrole. Van de vrouwen die in 2021 werden behandeld in een abortuskliniek had 39% een afspraak voor nacontrole in de kliniek, terwijl 47% hiervoor terugging naar de verwijzer (vaak de huisarts). Dit is een verdere verschuiving van de nacontrole terug naar de kliniek die in 2019 en 2020 ook te zien was.

Preventie: voor anticonceptie meest verwezen naar huisarts

Een belangrijk onderdeel van de nazorg na abortus is het gesprek over anticonceptie. Na de abortusbehandeling kreeg 43% van de vrouwen een anticonceptievoorschrift van de kliniek of werd anticonceptie direct geplaatst. 51% kreeg hiervoor een verwijzing naar de huisarts. In 0,6% van de gevallen is anticonceptie niet met de vrouw besproken.

Achtergrondinformatie