Cijfers en feiten

In 2020 werden 31.364 zwangerschapsafbrekingen uitgevoerd. Dit zijn 869 zwangerschapsafbrekingen minder dan in 2019. Veruit het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen (85%) vindt plaats in het eerste trimester (t/m 12 weken zwangerschap). Meer dan de helft van de behandelde vrouwen had al één of meer kinderen.  

De belangrijkste cijfers van 2020 op een rij

Abortuscijfers 2020

De belangrijkste bron voor abortuscijfers is de jaarlijkse rapportage over abortuszorg van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De (geanonimiseerde) cijfers worden door de klinieken en ziekenhuizen aangeleverd. Zij zijn hiertoe verplicht vanuit de Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ). De meest actuele jaarrapportage is uitgegeven in december 2021 en bevat de cijfers over het jaar 2020. Hieronder wordt een aantal conclusies uit dit jaarrapport weergegeven.

Trends

Aantal zwangerschapsafbrekingen daalt licht

Het totale aantal zwangerschapsafbrekingen (inclusief overtijdbehandelingen) lag sinds het jaar 2000 rond de 33.000 per jaar. Vanaf 2008 daalde het aantal zwangerschapsafbrekingen op jaarbasis. De laatste jaren zien we afwisselend een lichte stijging of daling. In 2020 is het aantal zwangerschapsafbrekingen licht gedaald (n=869, 2,7%).

Zwangerschapsafbrekingen 1985-2020

Verdere daling afbreking tienerzwangerschappen

Sinds 2002 daalt het aantal afbrekingen bij tienerzwangerschappen. Gekeken naar de groep vrouwen onder de 20 jaar, zien we dat de daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen bij tieners in 2019 stagneerde en in 2020 weer verder daalt. 2.355 abortussen vonden in 2020 plaats bij vrouwen tot 20 jaar. Dat is 7,5% van alle afbrekingen.

Abortuscijfer en abortusratio iets gestegen

Het abortuscijfer is – volgens de internationale definitie - het aantal zwangerschapsafbrekingen per 1.000 vrouwen van 15 tot en met 44 jaar. Het abortuscijfer relateert zo het aantal abortussen aan het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De behandelingen van (Nederlandse) vrouwen die in het buitenland woonachtig zijn, zijn hierin niet meegerekend. Het abortuscijfer is sinds 2002 redelijk stabiel rond de 8,6. Sinds 2016 is er een lichte stijging. In 2020 was het abortuscijfer 8,9.

De meeste zwangerschapsafbrekingen waren bij vrouwen die in Noord- of Zuid-Holland woonden. De verschillen zijn deels te verklaren door het verschil in inwoneraantal per provincie.  Wanneer we naar de abortuscijfers per provincie kijken zijn deze in Flevoland (13,8) en Zuid-Holland (11,6) het hoogst. In Zeeland (4,1) en Drenthe (4,9) is dit cijfer het laagst.

De abortusratio geeft de verhouding aan tussen het aantal zwangerschapsafbrekingen en het aantal levend geboren kinderen in dat jaar. In 2020 was dit 169. Dit is 2 punten lager dan in 2019. Dit betekent dat er minder zwangerschapsafbrekingen waren en een kleinere daling van levendgeborenen. In 2020 werden 168.681 kinderen levend geboren, bijna 1.000 minder dan in 2019.  

Aantal buitenlandse vrouwen daalt

Het percentage vrouwen dat uit het buitenland naar Nederland komt voor een abortusbehandeling schommelde tot 2016 rond de 13 procent van alle afbrekingen. Sindsdien is er een jaarlijkse daling zichtbaar. In 2020 is 9% van de behandelingen uitgevoerd bij vrouwen woonachtig in het buitenland. Dat aantal ligt iets lager dan in 2019. De daling wordt hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de reisbeperkingen tijdens de coronapandemie. De meeste buitenlandse vrouwen zijn afkomstig uit Duitsland en Frankrijk. De enige groep buitenlandse vrouwen waar in 2020 een stijging te zien is zijn de Poolse vrouwen. Het aantal Poolse vrouwen dat naar Nederland komt voor een abortus, is van 266 in 2019 naar 308 in 2020 gestegen.

Meeste zwangerschapsafbrekingen in de leeftijdscategorie 25-30 

Voor 2015 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaatst bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar. In 2015 verschoof dit naar de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar. Ook in 2020 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaats bij vrouwen tussen de 25 en 30 jaar, gevolgd door 30-35 jarigen. 48% van de afbrekingen vond bij deze twee leeftijdsgroepen plaats. Bij de leeftijdscategorieën tot 35 jaar zien we een lichte daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen. De leeftijdscategorieën 35-39 jaar, 40-44 jaar en >45 jaar kennen juist een lichte stijging.

Aantal abortussen per leeftijdscategorie 2014-2020

Ruim de helft van de abortussen in eerste 7 weken van de zwangerschap

Het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in de eerste 7 weken van de zwangerschap (64%). Bij 31,6% betrof het een overtijdbehandeling (abortuspil of curettage) in een abortuskliniek/ziekenhuis bij maximaal 16 dagen ‘overtijd’. Het aantal zwangerschapsafbrekingen in het tweede trimester is in 2020 opnieuw licht gedaald (16% in 2019 en 15% in 2020). 

Het aandeel overtijdbehandelingen stijgt licht

Een overtijdbehandeling is een zwangerschapsafbreking in de periode tot 16 dagen ‘overtijd’, die zowel medicamenteus (‘abortuspil’) als instrumenteel (curettage) kan worden uitgevoerd.  

De overtijdbehandeling verschilt van de overige zwangerschapsafbrekingen door de zwangerschapsduur en door wettelijke bepalingen: bij een overtijdbehandeling is de bedenktermijn niet wettelijk verplicht en geldt de wettelijke registratieverplichting voor zwangerschapsafbrekingen niet. Toch melden de meeste abortusklinieken de overtijdbehandelingen vrijwillig aan de inspectie. 

Het aandeel overtijdbehandelingen neemt sinds 1990 toe. Dit duidt erop dat vrouwen hun (ongewenste) zwangerschap in een eerder stadium ontdekken. In 2017 en 2018 was er voor het eerst een daling te zien. In 2019 en 2020 zien we weer een stijging van het percentage overtijdbehandelingen van respectievelijk 4,2% en 3,1% ten opzichte van het jaar ervoor.

Helft zwangerschapsafbrekingen bij vrouwen met kinderen

Net als in de afgelopen jaren laten de cijfers zien dat meer dan de helft van de behandelde vrouwen al één of meer kinderen heeft. In 2020 is dit bij 53,7% het geval. Hierbij gaat het om het aantal kinderen dat de vrouw zelf heeft gekregen en/of waar zij zorg voor draagt. Hieronder vallen ook stief-, adoptie- of pleegkinderen en reeds overleden kinderen die door de vrouw tot haar kinderen worden gerekend.

Een derde onderging al eerder een zwangerschapsafbreking

Bij 65% van de behandelde vrouwen was het de eerste zwangerschapsafbreking. Bijna een kwart van de vrouwen (23,5%) had eerder één zwangerschapsafbreking ondergaan. De overige 10,6% hebben twee of meer zwangerschapsafbrekingen ondergaan. Deze cijfers wijken in 2020 niet af van voorgaande jaren. 

Percentage zwangerschapsafbrekingen in tweede trimester stabiel  

Voor het verrichten van tweede trimesterabortussen (zwangerschapsafbreking boven 12 weken) is een aparte vergunning vereist. De WAZ en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) stellen daarvoor aanvullende eisen. Ook de opleiding van abortusartsen maakt een onderscheid tussen de trimesters. In 2020 vond 15 procent van de zwangerschapsafbrekingen plaats in het tweede trimester (4.671). Dat percentage is de afgelopen jaren stabiel.  

Afbrekingen gecategoriseerd naar weken 2020

Overgrote deel van behandelingen in abortusklinieken

Het overgrote deel van de zwangerschapsafbrekingen vindt plaats in abortusklinieken. Het aandeel van ziekenhuizen in de zwangerschapsafbrekingen schommelt de laatste jaren rond de 10%. Het absolute aantal afbrekingen in ziekenhuizen was in 2020 2.981.

Zwangerschapsafbrekingen na prenatale diagnostiek vooral in ziekenhuizen

Van de zwangerschapsafbrekingen in de ziekenhuizen had in 2019 32% een relatie met de resultaten van prenatale diagnostiek, terwijl dit bij abortusklinieken in 2019 voor 0,7% het geval was. Uitgaande van het feit dat er geen prenatale diagnostiek kan hebben plaatsgevonden voorafgaand aan een overtijdbehandeling heeft in 2020 bij 7% van de abortussen de uitkomst van prenatale diagnostiek een rol gespeeld bij de keuze. In 2019 was dit 5,2% van de behandelingen.

Meerderheid vrouwen meldt zich eerst bij de huisarts

52% van de vrouwen meldt zich voor een verwijzing naar de abortuskliniek bij de huisarts. Dit percentage ligt iets lager dan de jaren ervoor. Ruim een derde van de vrouwen (39%) gaat rechtstreeks naar de abortuskliniek. Sinds 2018 is een flinke stijging te zien van het percentage vrouwen dat direct naar een kliniek gaat voor een overtijdbehandeling. In 2018 was dit nog 41%, in 2019 51% en in 2020 56%.

Vrouwen die in ziekenhuizen behandeld worden zijn relatief vaak verwezen door een ‘andere verwijzer’ (26,5% in ziekenhuizen versus 0,4% in abortusklinieken). Deze ‘andere verwijzers’ zijn met name verloskundige, echocentrum, klinisch geneticus, cardioloog of internist, wat duidt op een medische indicatie voor de verwijzing naar het ziekenhuis.  

4 op de 10 vrouwen direct behandeld bij overtijdbehandeling

Een zwangerschap mag volgens een bepaling in de WAZ niet eerder worden afgebroken “dan op de zesde dag nadat de vrouw haar voornemen heeft besproken met een arts”. Bij een overtijdbehandeling geldt de verplichte wachttijd niet. Toch werd in 2020 bij bijna 55% van de overtijdbehandelingen wel een beraadtermijn gehanteerd, bij 39% zelfs langer dan vijf dagen. Ruim 45% liet zich meteen op de dag van de eerste afspraak behandelen.

Helft van de overtijdbehandelingen medicamenteus 

In de behandeling bij zowel abortusklinieken als ziekenhuizen wordt in 31% van de gevallen gekozen voor het gebruik van medicijnen; een behandeling met de abortuspil. Dit is een lichte stijging ten opzichte van 2018 en 2019, waar in 26% en 28% van de gevallen voor een medicamenteuze behandeling werd gekozen. Bij overtijdbehandelingen ligt dit percentage hoger; daar kiest men in ruim de helft (52%) van de gevallen voor de abortuspil. Dit is te verklaren doordat de abortuspil mogelijk is tot 9 weken zwangerschapsduur

Nacontrole na behandeling in abortuskliniek vooral door huisarts

Na de abortusbehandeling wordt met de vrouw een afspraak gemaakt voor een medische nacontrole. Van de vrouwen die in 2020 behandeld waren in een abortuskliniek had 37% een afspraak voor nacontrole in de kliniek, terwijl 53% hiervoor terugging naar de verwijzer. Dit is een verdere verschuiving van de nacontrole terug naar de kliniek die in 2019 ook te zien was.

Nacontrole 2017-2019

Preventie: voor anticonceptie meer verwezen naar huisarts

Een belangrijk onderdeel van de nazorg na abortus is het gesprek over anticonceptie. Volgens de registratie kreeg 43% van de vrouwen na behandeling een anticonceptievoorschrift mee van de kliniek en 54% kreeg hiervoor een verwijzing naar de huisarts. In 0,3% van de gevallen is anticonceptie niet met de vrouw besproken.

Anticonceptievoorschrift 2017-2020

Achtergrondinformatie