Cijfers en feiten

In 2019 werden 32.233 zwangerschapsafbrekingen uitgevoerd. Dit zijn 1231 zwangerschapsafbrekingen meer dan in 2018. Veruit het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen (84%) vindt plaats in het eerste trimester (t/m 12 weken zwangerschap). Meer dan de helft van de behandelde vrouwen had al één of meer kinderen.  

De belangrijkste cijfers van 2019 op een rij

Belangrijkste cijfers over abortus van 2019 op een rij

De belangrijkste bron voor abortuscijfers is de jaarlijkse rapportage over abortuszorg van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De (geanonimiseerde) cijfers worden door de klinieken en ziekenhuizen aangeleverd. Zij zijn hiertoe verplicht vanuit de Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ). De meest actuele jaarrapportage is uitgegeven in maart 2021 en bevat de cijfers over het jaar 2019. Hieronder wordt een aantal conclusies uit dit jaarrapport weergegeven.

Trends

Aantal zwangerschapsafbrekingen stijgt licht

Het totale aantal zwangerschapsafbrekingen (inclusief overtijdbehandelingen) lag sinds het jaar 2000 rond de 33.000 per jaar. Vanaf 2008 daalde het aantal zwangerschapsafbrekingen op jaarbasis. De laatste jaren zien we afwisselend een lichte stijging of daling. In 2019 is het aantal zwangerschapsafbrekingen licht gestegen (n=1.231, 3,8%).

Aantal zwangerschapsafbrekingen 1985-2019

Stagnatie daling afbreking tienerzwangerschappen

Sinds 2002 daalt het aantal afbrekingen bij tienerzwangerschappen. Gekeken naar de groep vrouwen onder de 20 jaar, zien we dat de daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen bij tieners in 2019 stagneert. 2.653 abortussen vonden in 2019 plaats bij vrouwen tot 20 jaar. Dat is 8,2% van alle afbrekingen.

Abortuscijfer en abortusratio iets gestegen

Het abortuscijfer is – volgens de internationale definitie - het aantal zwangerschapsafbrekingen per 1.000 vrouwen van 15 tot en met 44 jaar. Het abortuscijfer relateert zo het aantal abortussen aan het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De behandelingen van (Nederlandse) vrouwen die in het buitenland woonachtig zijn, zijn hierin niet meegerekend. Het abortuscijfer is sinds 2002 redelijk stabiel rond de 8,6. Sinds 2016 is er sprake van een lichte stijging. In 2018 was het abortuscijfer 9,1.

De meeste zwangerschapsafbrekingen waren bij vrouwen die in Noord- of Zuid-Holland woonden. De verschillen zijn deels te verklaren door het verschil in inwoneraantal per provincie.  Wanneer we naar de abortuscijfers per provincie kijken zijn deze in Flevoland (13,1) en Zuid-Holland (12,2) het hoogst. In Zeeland (3,1) en Drenthe (5,0) is dit cijfer het laagst.

De abortusratio geeft de verhouding aan tussen het aantal zwangerschapsafbrekingen en het aantal levend geboren kinderen in dat jaar. In 2019 was dit 171. Dit is 7 punten hoger dan in 2018. Dit betekent dat er meer zwangerschapsafbrekingen waren en een kleinere stijging levendgeborenen. In 2019 werden 169.680 kinderen geboren, ruim 1.155 minder dan in 2018.  

Aantal buitenlandse vrouwen daalt

Het percentage vrouwen dat uit het buitenland naar Nederland komt voor een abortusbehandeling schommelt sinds 2002 rond de 13 procent van alle afbrekingen. In 2019 is 10% van de behandelingen uitgevoerd bij vrouwen woonachtig in het buitenland. Dat aantal is stabiel ten opzichte van 2018. De meeste buitenlandse vrouwen zijn afkomstig uit Duitsland en Frankrijk. Het aantal Poolse vrouwen dat naar Nederland komt voor een abortus stijgt licht, van 248 in 2018 naar 266 in 2019.

Meeste zwangerschapsafbrekingen in de leeftijdscategorie 25-30 

Voor 2015 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaatst bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar. In 2015 verschoof dit naar de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar. Ook in 2019 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaats bij vrouwen tussen de 25 en 30 jaar, gevolgd door 30-35 jarigen. 47% van de afbrekingen vond bij deze twee leeftijdsgroepen plaats. Bij de leeftijdscategorieën 20 – 24 jaar, 25-29 jaar en >45 jaar zien we een lichte daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen. 

Aantal abortussen per leeftijdscategorie (2012-2019)

Ruim de helft van de abortussen in eerste 7 weken van de zwangerschap

Het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in de eerste 7 weken van de zwangerschap (59%). Bij 28,5% betrof het een overtijdbehandeling (abortuspil of curettage) in een abortuskliniek/ziekenhuis bij maximaal 16 dagen ‘overtijd’. Het aantal zwangerschapsafbrekingen in het tweede trimester is in 2019 licht gedaald (18% in 2018 en 16% in 2019). 

Het aandeel overtijdbehandelingen stijgt licht

Een overtijdbehandeling is een zwangerschapsafbreking in de periode tot 16 dagen ‘overtijd’, die zowel medicamenteus (‘abortuspil’) als instrumenteel (curettage) kan worden uitgevoerd.  

De overtijdbehandeling verschilt van de overige zwangerschapsafbrekingen door de zwangerschapsduur en door wettelijke bepalingen: bij een overtijdbehandeling is de bedenktermijn niet wettelijk verplicht en geldt de wettelijke registratieverplichting voor zwangerschapsafbrekingen niet. Toch melden de abortusklinieken de overtijdbehandelingen vrijwillig aan de inspectie. Zes klinieken en de ziekenhuizen maken in de registratie geen onderscheid tussen overtijdbehandeling en overige zwangerschapsafbrekingen; de overige klinieken melden de overtijdbehandelingen apart.

Het aandeel overtijdbehandelingen neemt sinds 1990 toe. Dit duidt erop dat vrouwen hun (ongewenste) zwangerschap in een eerder stadium ontdekken. In 2017 en 2018 was er voor het eerst een daling te zien. In 2019 zien we weer een stijging van het percentage overtijdbehandelingen van 4,2% ten opzichte van 2018.

Helft zwangerschapsafbrekingen bij vrouwen met kinderen

Net als in de afgelopen jaren laten de cijfers zien dat meer dan de helft van de behandelde vrouwen al één of meer kinderen heeft. Hierbij gaat het om het aantal kinderen dat de vrouw zelf heeft gekregen en/of waar zij zorg voor draagt. Hieronder vallen ook stief-, adoptie- of pleegkinderen en reeds overleden kinderen die door de vrouw tot haar kinderen worden gerekend.

Een derde onderging al eerder een zwangerschapsafbreking

Bij 65% van de behandelde vrouwen was het de eerste zwangerschapsafbreking. Een kwart van de vrouwen had eerder één zwangerschapsafbreking ondergaan. De overige 10% hebben twee of meer zwangerschapsafbrekingen ondergaan. Deze cijfers wijken in 2019 niet af van voorgaande jaren. 

Percentage zwangerschapsafbrekingen in tweede trimester stabiel  

Voor het verrichten van tweede trimesterabortussen (zwangerschapsafbreking boven 12 weken) is een aparte vergunning vereist. De WAZ en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) stellen daarvoor aanvullende eisen. Ook de opleiding van abortusartsen maakt een onderscheid tussen de trimesters. In 2019 vond 16 procent van de zwangerschapsafbrekingen plaats in het tweede trimester (5.221). Dat percentage is de afgelopen jaren stabiel.  

Afbrekingen gecategoriseerd naar weken

Overgrote deel van behandelingen in abortusklinieken

Het overgrote deel van de zwangerschapsafbrekingen vindt plaats in abortusklinieken. Het aandeel van ziekenhuizen in de zwangerschapsafbrekingen schommelt de laatste jaren rond de 10%. Het absolute aantal afbrekingen in ziekenhuizen steeg in 2018 met 25.

Zwangerschapsafbrekingen na prenatale diagnostiek vooral in ziekenhuizen

Van de zwangerschapsafbrekingen in de ziekenhuizen had 32% een relatie met de resultaten van prenatale diagnostiek, terwijl dit bij abortusklinieken voor 0,7% het geval was. Uitgaande van het feit dat er geen prenatale diagnostiek kan hebben plaatsgevonden voorafgaand aan een overtijdbehandeling heeft bij 5,2% van de abortussen (1.209 van de 23.047) de uitkomst van prenatale diagnostiek een rol gespeeld bij de keuze. In 2018 was dit ook 5,2% van de 22.933 behandelingen.

Meerderheid vrouwen meldt zich eerst bij de huisarts

56% van de vrouwen meldt zich voor een verwijzing naar de abortuskliniek bij de huisarts. Dit percentage is vergelijkbaar met 2017 en 2016. In 2018 lag het percentage (eenmalig) hoger met 64%. Een derde van de vrouwen (33%) gaat rechtstreeks naar de abortuskliniek. Van de vrouwen die een overtijdbehandeling krijgt gaat 51% direct naar de kliniek. Dit is 10% meer dan in 2018.

Vrouwen die in ziekenhuizen behandeld worden zijn relatief vaak verwezen door een ‘andere verwijzer’ (32% in ziekenhuizen versus 11% in abortusklinieken). Deze ‘andere verwijzers’ zijn met name verloskundige, echocentrum, klinisch geneticus, cardioloog of internist, wat duidt op een medische indicatie voor de verwijzing naar het ziekenhuis.  

4 op de 10 vrouwen direct behandeld bij overtijdbehandeling

Een zwangerschap mag volgens een bepaling in de WAZ niet eerder worden afgebroken “dan op de zesde dag nadat de vrouw haar voornemen heeft besproken met een arts”. Bij een overtijdbehandeling geldt de verplichte wachttijd niet. Toch werd in 2019 net als in 2018 bij bijna 60% van de overtijdbehandelingen wel een beraadtermijn gehanteerd, bij 45% zelfs langer dan vijf dagen. Ruim 40% liet zich meteen op de dag van de eerste afspraak behandelen.

Bijna helft van de overtijdbehandelingen medicamenteus 

In de behandeling bij zowel abortusklinieken als ziekenhuizen wordt in 28% van de gevallen gekozen voor het gebruik van medicijnen; een behandeling met de abortuspil. Dit is een lichte stijging ten opzichte van 2017 en 2018, waar in 27% en 26% van de gevallen voor een medicamenteuze behandeling werd gekozen. Bij overtijdbehandelingen ligt dit percentage hoger; daar kiest men in bijna de helft (47%) van de gevallen voor de abortuspil. Dit is te verklaren doordat de abortuspil mogelijk is tot 9 weken zwangerschapsduur

Nacontrole na behandeling in abortuskliniek vooral door huisarts

Na de abortusbehandeling wordt met de vrouw een afspraak gemaakt voor een medische nacontrole. Van de vrouwen die in 2019 behandeld waren in een abortuskliniek had 32% een afspraak voor nacontrole in de kliniek, terwijl 64% hiervoor naar de huisarts werd verwezen. Dit is een verschuiving van de nacontrole terug naar de kliniek ten opzichte van 2018, waarbij 70% naar de huisarts werd verwezen.

Nacontrole 2017-2019

Preventie: minder anticonceptie voorgeschreven door klinieken

Een belangrijk onderdeel van de nazorg na abortus is het gesprek over anticonceptie. Volgens de registratie kreeg 44% van de vrouwen na behandeling een anticonceptievoorschrift mee en 48% kreeg hiervoor een verwijzing naar de huisarts. 

Anticonceptievoorschrift 2017-2019

Achtergrondinformatie