Cijfers en feiten

In 2018 werden 31.002 zwangerschapsafbrekingen uitgevoerd. Dit zijn 479 zwangerschapsafbrekingen meer dan in 2017. Veruit het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen (82%) vindt plaats in het eerste trimester (t/m 12 weken zwangerschap). Meer dan de helft van de behandelde vrouwen had al één of meer kinderen.  

De belangrijkste bron voor abortuscijfers is de jaarlijkse rapportage over abortuszorg van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De (geanonimiseerde) cijfers worden door de klinieken en ziekenhuizen aangeleverd. Zij zijn hiertoe verplicht vanuit de Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ). De meest actuele jaarrapportage is uitgegeven op 6 februari 2020 en bevat de cijfers over het jaar 2018. Hieronder wordt een aantal conclusies uit dit jaarrapport weergegeven.

Trends

Aantal zwangerschapsafbrekingen stijgt licht

Het totale aantal zwangerschapsafbrekingen (inclusief overtijdbehandelingen) lag sinds het jaar 2000 rond de 33.000 per jaar. Vanaf 2008 daalde het aantal zwangerschapsafbrekingen op jaarbasis. In 2015 en 2017 was er een lichte stijging te zien en in 2016 een lichte daling. In 2018 is het aantal zwangerschapsafbrekingen licht gestegen (n=479, 1,5%)

Aantal zwangerschapsafbrekingen 1985 - 2018

Blijvende daling afbreking tienerzwangerschappen

Sinds 2002 daalt het aantal afbrekingen bij tienerzwangerschappen. Gekeken naar de groep vrouwen onder de 20 jaar, zien we dat de daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen bij tieners ook in 2018 doorzet (van 2.658 in 2017 naar 2.520 in 2018). Dit is in lijn met de daling van het aantal tienermoeders en tienerzwangerschappen in Nederland.  

Abortuscijfer en abortusratio iets gestegen

Het abortuscijfer is – conform de internationale definitie - het aantal zwangerschapsafbrekingen per 1.000 vrouwen van 15 tot en met 44 jaar. Het abortuscijfer relateert zo het aantal zwangerschapsafbrekingen aan het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De behandelingen van (Nederlandse) vrouwen die in het buitenland woonachtig zijn, zijn hierin niet meegerekend. Het abortuscijfer is sinds 2002 redelijk stabiel rond de 8,6. In 2018 was het abortuscijfer 8,8.

De meeste zwangerschapsafbrekingen waren bij vrouwen die in Noord- of Zuid-Holland woonden. De verschillen zijn deels te verklaren door het verschil in inwoneraantal per provincie.  Wanneer we naar de abortuscijfers per provincie kijken zijn deze in Flevoland (12,2) en Noord-Holland (11,5) het hoogst. In Drenthe (4,8) en Zeeland (4,7) is dit cijfer het laagst.

De abortusratio geeft de verhouding aan tussen het aantal zwangerschapsafbrekingen en het aantal levend geboren kinderen in dat jaar. In 2018 was dit 164. Dit is 5 punten hoger dan in 2017. Dit betekent dat er meer zwangerschapsafbrekingen waren in combinatie met een lager aantal levendgeborenen. In 2018 werden 168.525 kinderen geboren, ruim 1.311 minder dan in 2017.  

Zwangerschapsafbreking buitenlandse vrouwen

Het percentage vrouwen dat uit het buitenland naar Nederland komt voor een abortusbehandeling schommelt sinds 2002 rond de 13 procent van alle afbrekingen. In 2018 is 11% van de behandelingen uitgevoerd bij vrouwen woonachtig in het buitenland. Dat aantal is stabiel ten opzichte van 2017. De meeste buitenlandse vrouwen zijn afkomstig uit Duitsland en Frankrijk.

Meeste zwangerschapsafbrekingen in de leeftijdscategorie 25-30 

Voor 2015 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaatst bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar. In 2015 verschoof dit naar de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar. Ook in 2018 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaats bij vrouwen tussen de 25 en 30 jaar. Bij alle hogere leeftijdscategorieën (30 - 35, 35 - 40, 40 -45 en > 45 jaar) nam het aantal afbrekingen eveneens licht toe. Alleen bij de leeftijdscategorieën < 15 jaar en 15 tot 20 jaar zien we een daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen. 

Zwangerschapsafbreking in een vroeg stadium

Het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in de eerste 7 weken van de zwangerschap (55%). Bij ongeveer een kwart betrof het een overtijdbehandeling (abortuspil of curettage) in een abortuskliniek/ziekenhuis bij maximaal 16 dagen ‘overtijd’. Het aantal zwangerschapsafbrekingen in het tweede trimester is in 2018 niet veranderd (18% in 2017 en in 2018). 

Het aandeel overtijdbehandelingen blijft vrijwel stabiel

Een overtijdbehandeling is een zwangerschapsafbreking in de periode tot 16 dagen ‘overtijd’, die zowel medicamenteus (‘abortuspil’) als instrumenteel (curettage) kan worden uitgevoerd.  

De overtijdbehandeling verschilt van de overige zwangerschapsafbrekingen door de zwangerschapsduur en door wettelijke bepalingen: bij een overtijdbehandeling is de bedenktermijn niet wettelijk verplicht en geldt de wettelijke registratieverplichting voor zwangerschapsafbrekingen niet. Toch melden de abortusklinieken de overtijdbehandelingen vrijwillig aan de inspectie. Drie klinieken maken in de registratie geen onderscheid tussen overtijdbehandeling en overige zwangerschapsafbrekingen; de overige klinieken melden de overtijdbehandelingen apart van de overige zwangerschapsafbrekingen. Ziekenhuizen maken in de registratie geen onderscheid tussen overtijdbehandeling en overige zwangerschapsafbrekingen.

Het aandeel overtijdbehandelingen neemt sinds 1990 toe. Dit duidt erop dat vrouwen hun (ongewenste) zwangerschap in een eerder stadium ontdekken. In 2017 was er voor het eerst een daling te zien (2,3%), ook in 2018 daalt het aandeel overtijdbehandelingen met 0,6 % licht ten opzichte van 2017. 

Helft zwangerschapsafbrekingen bij vrouwen met kinderen

Net als in de afgelopen jaren laten de cijfers zien dat meer dan de helft van de behandelde vrouwen al één of meer kinderen heeft. Hierbij gaat het om het aantal kinderen dat de vrouw zelf heeft gekregen en/of waar zij zorg voor draagt. Hieronder vallen ook stief-, adoptie- of pleegkinderen en reeds overleden kinderen die door de vrouw tot haar kinderen worden gerekend.

Een derde onderging al eerder een zwangerschapsafbreking

Bij tweederde van de behandelde vrouwen was dit de eerste zwangerschapsafbreking. Een kwart van de vrouwen had eerder één zwangerschapsafbreking ondergaan. De overige vrouwen hadden twee of meer zwangerschapsafbrekingen ondergaan. Deze cijfers wijken in 2018 niet af van voorgaande jaren. 

Percentage zwangerschapsafbrekingen in tweede trimester stabiel  

Voor het verrichten van tweede trimesterabortussen (zwangerschapsafbreking boven 12 weken) is een aparte vergunning vereist. De WAZ en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) stellen daarvoor aanvullende eisen. Ook de opleiding van abortusartsen maakt een onderscheid tussen de trimesters. In 2018 vond 18 procent van de zwangerschapsafbrekingen plaats in het tweede trimester (5.447). Dat percentage is de afgelopen jaren stabiel.  

Relatieve verdeling van zwangerschapsduur bij zwangerschapsafbrekingen in 2018
 

Overgrote deel van behandelingen in abortusklinieken

Het overgrote deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in abortusklinieken. Het aandeel van ziekenhuizen in de zwangerschapsafbrekingen vertoonde de laatste jaren een licht stijgende trend en schommelt inmiddels rond de 10 %. Het absolute aantal afbrekingen in ziekenhuizen steeg in 2018 met 396. . 

Zwangerschapsafbrekingen na prenatale diagnostiek vooral in ziekenhuizen

Van de zwangerschapsafbrekingen in de ziekenhuizen had 33 % een relatie met de resultaten van prenatale diagnostiek, terwijl dit bij abortusklinieken voor 0,6 % het geval was. Uitgaande van het feit dat er geen prenatale diagnostiek kan hebben plaatsgevonden voorafgaand aan een overtijdbehandeling heeft bij 5,2% van de abortussen de uitkomst van prenatale diagnostiek een rol gespeeld bij de keuze. In 2017 was dit 5% (1.152 van de 22.933 behandelingen) en in 2016 4,6% Dit aandeel stijgt dus langzaam..

Meerderheid vrouwen die voor een abortus kiest, meldt zich eerst bij de huisarts

64% van de vrouwen meldt zich voor een verwijzing naar de abortuskliniek bij de huisarts. Dit percentage ligt hoger dan de afgelopen jaren (2017: 55% en 2016: 57%). Een kwart van de vrouwen (24%) gaat rechtstreeks naar de abortuskliniek. Van de vrouwen die een overtijdbehandeling krijgt gaat 41% direct naar de kliniek. 

Vrouwen die in ziekenhuizen behandeld worden zijn relatief vaak verwezen door een ‘andere verwijzer’ (22% in ziekenhuizen versus 0,8% in abortusklinieken). Deze ‘andere verwijzers’ betreffen met name verloskundige, echocentrum, klinisch geneticus, cardioloog of internist, wat duidt op een medische indicatie voor de verwijzing naar het ziekenhuis.  

Een derde van de vrouwen die kiest voor een overtijdbehandelingen, laat zich direct behandelen

Een zwangerschap mag volgens een bepaling in de WAZ niet eerder worden afgebroken “dan op de zesde dag nadat de vrouw haar voornemen heeft besproken met een arts”. Bij een overtijdbehandeling geldt de verplichte wachttijd niet. Toch werd in 2018 net als in 2017 bij bijna tweederde van de overtijdbehandelingen wel een beraadtermijn gehanteerd, bij de helft zelfs langer dan vijf dagen. Ruim een derde (33,9%) liet zich meteen op de dag van de eerste afspraak behandelen.

Bijna helft van de overtijdbehandeling medicamenteus 

In de behandeling bij zowel abortusklinieken als ziekenhuizen wordt in 26% van de gevallen gekozen voor het gebruik van medicijnen; een behandeling met de abortuspil. Dit is vergelijkbaar met 2017, waar in 27% van de gevallen voor een medicamenteuze behandeling werd gekozen. Bij overtijdbehandelingen ligt dit percentage hoger; daar kiest men in bijna de helft (48%) van de gevallen voor de abortuspil. Dit is te verklaren doordat de abortuspil mogelijk is tot 9 weken zwangerschapsduur

Nacontrole na behandeling in abortuskliniek vooral door huisarts

Na de abortusbehandeling wordt met de vrouw een afspraak gemaakt voor een medische nacontrole. Van de vrouwen die in 2018 behandeld waren in een abortuskliniek had 27 procent een afspraak voor nacontrole in de kliniek, terwijl 70 procent hiervoor naar de huisarts werd verwezen. Figuur 13 laat zien dat dit sterk verschilt van de voorgaande jaren. De reden voor deze verschuiving is niet uit de data op te maken.

Figuur Verschuiving nacontrole na abortus van abortuskliniek naar huisarts
 

Preventie

Een belangrijk onderdeel van de nazorg na abortus is het gesprek over anticonceptie. Volgens de registratie verliet 48% van de vrouwen de abortuskliniek of het ziekenhuis met een anticonceptieadvies, en 45% met een verwijzing naar de huisarts. 

Achtergrondinformatie