Cijfers en feiten abortus

In 2015 werden 30.803 zwangerschapsafbrekingen uitgevoerd. Daarvan betrof 13% vrouwen die in het buitenland woonachtig waren en voor de abortus naar Nederland kwamen. Het aantal behandelde vrouwen dat in Nederland woonde is 26.916. Deze cijfers zijn al jaren vrij stabiel, al is er in 2015 voor het eerst sinds jaren weer een lichte stijging te zien (442 meer in vergelijking met het voorgaande jaar). Deze stijging doet zich vooral voor bij vrouwen ouder dan 25 jaar.

De belangrijkste bron voor abortuscijfers is de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ). De inspectie brengt ieder jaar een rapportage uit over de abortushulpverlening in het voorgaande jaar. De (geanonimiseerde) cijfers worden door de klinieken en ziekenhuizen zelf aangeleverd. Zij zijn hiertoe verplicht vanuit de Wet Afbreking Zwangerschap (Wafz), die in 1984 van kracht werd. Het meest actuele jaaroverzicht is uitgeven in februari 2017 en bevat cijfers over het jaar 2015. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies uit dit jaarrapport weergegeven.

Trends

 

Lichte stijging maar ook daling

Het totale aantal zwangerschapsafbrekingen (inclusief overtijdbehandelingen) lag sinds het jaar 2000 rond de 33.000 per jaar.  Vanaf 2008 daalde het aantal zwangerschapsafbrekingen op jaarbasis. In 2015 is er voor het eerst weer een lichte stijging te zien (n=442, stijging van 1,5%). Sinds 2002 daalt het aantal afbrekingen bij tienerzwangerschappen; dit was ook in 2015 het geval (min 3%). Het aantal zwangerschapsafbrekingen bij tieners was 3.079, waarvan 83 bij meisjes  onder de 15 jaar. De meeste zwangerschapsafbrekingen – absoluut en relatief gezien - vonden plaats bij vrouwen in de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar.

Stijging zowel bij Nederlandse als bij buitenlandse vrouwen

Deze stijging is te zien zowel bij vrouwen die in Nederland woonachtig waren (+1,2%) als bij vrouwen die niet in Nederland woonachtig waren (+3,2 %). Sinds 2002 schommelt het aandeel van behandelingen bij vrouwen die niet in Nederland woonachtig zijn tussen de 12 en 14 procent van alle afbrekingen. De meeste buitenlandse vrouwen zijn uit Frankrijk en Duitsland afkomstig. Sinds 2012 is er een toename te zien van vrouwen uit Ierland en Polen.

De leeftijd van de abortuscliënt stijgt

In voorgaande jaren vonden absoluut en relatief de meeste zwangerschapsafbrekingen plaats bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar. In 2015 waren de meeste afbrekingen in de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar. Ook in de leeftijdscategorieën 30 tot 35 jaar en 35 tot 40 jaar nam het aantal afbrekingen toe.

Zwangerschapsafbreking in een steeds eerder stadium

Ruim de helft (52%) van alle zwangerschapsafbrekingen (inclusief de overtijdbehandelingen) vond plaats in de eerste 7 weken. 81% van de afbrekingen vond plaats in het eerste trimester en 19 procent in het tweede trimester (vanaf 13 weken).

Het aandeel overtijdbehandelingen neemt toe

Een overtijdbehandeling onderscheidt zich van overige zwangerschapsafbrekingen door zwangerschapsduur en wettelijke bepalingen: bij een overtijdbehandeling is de beraadtermijn niet wettelijk verplicht en geldt de wettelijke registratieverplichting voor zwangerschapsafbrekingen niet. Niettemin melden de abortusklinieken de overtijdbehandelingen vrijwillig aan de inspectie, met uitzondering van twee klinieken en de ziekenhuizen. In de tabel hieronder is te zien dat het aandeel overtijdbehandelingen sinds 1990 toeneemt. Dit duidt erop dat vrouwen hun (ongewenste) zwangerschap in een eerder stadium ontdekken.

Tabel 1. Aantal apart gemelde overtijdbehandelingen binnen totaal aantal zwangerschapsafbrekingen*

Jaar Aantal overtijdbehandelingen Percentage overtijdbehandelingen binnen totaal aantal zwangerschapsafbrekingen (%)
1990       3.485 11,5
1995 3.498 12,2
2000 6.005 18,0
2005 6.311 19,1
2009 7.652 23,6
2014 8.229 27,1
2015 8.553 27,8

* Het percentage overtijdbehandelingen binnen het totaal aantal abortus is in werkelijkheid hoger, omdat twee abortusklinieken en de ziekenhuizen deze vroege abortussen niet apart als ‘overtijdbehandeling’ opgeven, maar als ‘gewone’ abortus.

Abortuscijfer en abortusratio iets gestegen

Het abortuscijfer is – conform de internationale definitie - het aantal zwangerschapsafbrekingen per 1000 vrouwen van 15 tot en met 44 jaar. Het abortuscijfer relateert zo het aantal zwangerschapsafbrekingen aan het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De behandelingen van (Nederlandse) vrouwen die in het buitenland woonachtig zijn, zijn hierin niet meeberekend. Het abortuscijfer is sinds 2002 redelijk stabiel rond de 8,7. In 2015 was het abortuscijfer 8,6.

De abortusratio geeft de verhouding aan tussen het aantal zwangerschapsafbrekingen en het aantal levend geboren kinderen in het betreffende jaar. In 2015 was dit 158, 6 punten hoger dan in 2014. Deze stijging wordt verklaard door het licht hogere aantal zwangerschapsafbrekingen in combinatie met het lagere aantal levendgeborenen in 2015. In 2015 werden 170.510 kinderen geboren, bijna 5000 minder dan in 2014 (175.181 levendgeborenen).

Helft van zwangerschapsafbrekingen bij vrouwen met kinderen

Meer dan de helft van de behandelde vrouwen had de zorg voor één of meer kinderen. Hierbij gaat om het aantal kinderen dat de vrouw zelf heeft gekregen en/of waar zij zorg voor draagt. Hieronder worden ook stief-, adoptie- of pleegkinderen verstaan, alsmede reeds overleden kinderen die door de vrouw tot haar kinderen worden gerekend.

Een derde had al eerder een zwangerschapsafbreking

Bij tweederde van de behandelde vrouwen was dit de eerste zwangerschapsafbreking. Bijna een kwart had eerder één zwangerschapsafbreking ondergaan. De overige vrouwen hadden twee of meer zwangerschapsafbrekingen gehad. Ten opzichte van vorige jaren zijn hierin geen opvallende veranderingen.

Meeste zwangerschapsafbrekingen bij vrouwen uit Flevoland en Noord- en Zuid-Holland

Evenals in vorige jaren woonden de meeste behandelde vrouwen (zowel absoluut als relatief) in Zuid- en Noord-Holland. Uit Drenthe, Zeeland en Friesland waren de minste vrouwen afkomstig. De spreiding van woonplaatsen van de vrouwen met een abortusverzoek komt overeen met de spreiding over het land van klinieken en ziekenhuizen met een abortusvergunning.

Aantal tweede trimesterabortussen stabiel

Voor het verrichten van tweede trimesterabortussen (zwangerschapsafbreking boven 12 weken) is een aparte vergunning vereist. De Wafz en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) stellen daarvoor aanvullende eisen. Ook de opleiding van abortusartsen maakt een onderscheid tussen de trimesters. In 2015 betrof 19 procent van de zwangerschapsafbrekingen een tweedetrimesterabortus (5.731). De abortusklinieken met een vergunning voor tweede trimesterabortus deden de meeste van de tweede trimesterbehandelingen (84 %). De overige tweede trimesterabortus  vonden plaats in academische centra (gemiddeld 67) of in perifere ziekenhuizen (gemiddeld 5).

Aantal zwangerschapsafbrekingen in ziekenhuizen blijft licht stijgen

Het overgrote deel van alle zwangerschapsafbrekingen vond plaats in abortusklinieken: 90,7% van alle behandelingen (27.933). De ziekenhuizen hadden daarmee een relatief gering aandeel in de abortusbehandelingen: 9,3%. In dit percentage blijft een licht stijgende trend zichtbaar (2.870 in 2015: 98 meer dan in 2014). Dit geldt met name voor zwangerschapsafbrekingen in de periode 20 tot en met 23 weken. In 2006 werden vanuit ziekenhuizen 140 zwangerschapsafbrekingen tussen 20 en 24 weken gemeld. In 2015 was dit aantal 406.

Zwangerschapsafbrekingen na prenatale diagnostiek vooral in ziekenhuizen

Van de zwangerschapsafbrekingen in de ziekenhuizen had  32,4% een relatie met de resultaten van prenatale diagnostiek, terwijl dit bij abortusklinieken voor 0,5% het geval was. Uitgaande van de noemer ‘zwangerschapsafbrekingen zonder overtijdbehandelingen’, was in 2015 het percentage zwangerschapsafbrekingen met een relatie met prenatale diagnostiek 4,6% (1.024 van de 22.250 behandelingen). In 2014 was dit 4,4 procent en in 2013 4,6 procent. Dit aandeel is de afgelopen jaren dus relatief stabiel gebleven.

Bijna de helft van de vrouwen die voor een overtijdbehandeling kiest, meldt zich rechtstreeks bij de kliniek

Vrouwen kunnen met hun abortusverzoek rechtstreeks naar de kliniek gaan, of zich laten verwijzen. In totaal ging 28% van de vrouwen zonder verwijzing rechtstreeks naar de abortuskliniek. Bij vrouwen die een overtijdbehandeling kregen, was dit 45% en bij vrouwen met een latere zwangerschapsafbreking was dit 21%. Verwijzingen kwamen in de meeste gevallen (56%) van de huisarts. Andere verwijzers betreffen met name geneticus, echocentrum, verloskundige, cardioloog of internist, hetgeen duidt op een medische indicatie voor de verwijzing naar het ziekenhuis. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren.

Ruim een derde van de vrouwen die voor een overtijdbehandelingen kiest, laat zich meteen behandelen

Een zwangerschap mag volgens een bepaling in de Wafz niet eerder worden afgebroken “dan op de zesde dag nadat de vrouw haar voornemen heeft besproken met een arts”. Bij een overtijdbehandeling geldt de verplichte wachttijd niet. Niettemin werd in 2015 bij bijna tweederde van de overtijdbehandelingen wel een beraadtermijn gehanteerd, bij meer dan de helft zelfs langer dan vijf dagen. Ruim een derde (36,4%) liet zich meteen op de dag van de eerste afspraak behandelen.

Preventie

Ruim driekwart van de vrouwen (76,4%) die de abortuskliniek of ziekenhuis verlaat, gaat naar huis met (voorgeschreven) anticonceptie. Nog eens 20% wordt doorverwezen naar de huisarts voor advies. 3,2% van de vrouwen geeft aan geen anticonceptie te wensen.