Cijfers en feiten

In 2017 werden 30.523 zwangerschapsafbrekingen uitgevoerd. Dit zijn 379 zwangerschapsafbrekingen meer dan in 2016. Daarbij ging het bij 89% van de gevallen om behandelingen uitgevoerd bij vrouwen woonachtig in Nederland.

De belangrijkste bron voor abortuscijfers is de jaarlijkse rapportage over abortushulpverlening van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De (geanonimiseerde) cijfers worden door de klinieken en ziekenhuizen aangeleverd. Zij zijn hiertoe verplicht vanuit de Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ). De meest actuele jaarrapportage is uitgegeven op 7 februari 2019 en bevat de cijfers over het jaar 2017. Hieronder wordt een aantal conclusies uit dit jaarrapport weergegeven.

Trends

Aantal zwangerschapsafbrekingen stijgt licht

Het totale aantal zwangerschapsafbrekingen (inclusief overtijdbehandelingen) lag sinds het jaar 2000 rond de 33.000 per jaar. Vanaf 2008 daalde het aantal zwangerschapsafbrekingen op jaarbasis. In 2015 was er een lichte stijging te zien (n=442, stijging van 1,5%) en in 2016 zette de dalende trend zich weer voort. In 2017 is het aantal zwangerschapsafbrekingen licht gestegen (n=379, stijging van 1,3%). 

Aantal zwangerschapsafbrekingen 1990 - 2017

Blijvende daling afbreking tienerzwangerschappen

Sinds 2002 daalt het aantal afbrekingen bij tienerzwangerschappen. Gekeken naar de groep vrouwen onder de 20 jaar, zien we dat de daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen bij tieners ook in 2017 doorzet (van 2.941 in 2016 naar 2.658 in 2017). Dit is in lijn met de daling van het aantal tienermoeders en tienerzwangerschappen in Nederland.  

Abortuscijfer en abortusratio iets gestegen

Het abortuscijfer is – conform de internationale definitie - het aantal zwangerschapsafbrekingen per 1.000 vrouwen van 15 tot en met 44 jaar. Het abortuscijfer relateert zo het aantal zwangerschapsafbrekingen aan het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De behandelingen van (Nederlandse) vrouwen die in het buitenland woonachtig zijn, zijn hierin niet meegerekend. Het abortuscijfer is sinds 2002 redelijk stabiel rond de 8,7. In 2017 was het abortuscijfer 8,6.

De meeste zwangerschapsafbrekingen waren, absoluut gezien, bij vrouwen die in Noord- of Zuid-Holland woonden. Maar wanneer we naar de abortuscijfers per provincie kijken zijn deze in Flevoland (12,8) en Noord-Holland (12,1) het hoogst. In Drenthe (4,4) en Friesland (6,1) is dit cijfer het laagst.

De abortusratio geeft de verhouding aan tussen het aantal zwangerschapsafbrekingen en het aantal levend geboren kinderen in dat jaar. In 2017 was dit 159. Dit is 5 punten hoger dan in 2016. Dit betekent dat er meer zwangerschapsafbrekingen waren in combinatie met een lager aantal levendgeborenen. In 2017 werden 169.836 kinderen geboren, ruim 2.600 minder dan in 2016.  

Zwangerschapsafbreking buitenlandse vrouwen

Het percentage vrouwen dat uit het buitenland naar Nederland komt voor een abortusbehandeling schommelt sinds 2002 rond de 13 procent van alle afbrekingen. In 2017 is 11% van de behandelingen uitgevoerd bij vrouwen woonachtig in het buitenland (12% in 2016). De meeste buitenlandse vrouwen zijn afkomstig uit Duitsland en Frankrijk.

Meeste zwangerschapsafbrekingen in de leeftijdscategorie 25-30 

Voor 2015 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaatst bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar. In 2015 verschoof dit naar de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar. Ook in 2017 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaats bij vrouwen tussen de 25 en 30 jaar. In de leeftijdscategorieën 30 tot 35 jaar en 35 tot 40 jaar nam het aantal afbrekingen eveneens toe.

Zwangerschapsafbreking in een vroeg stadium

Het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in de eerste 7 weken van de zwangerschap (53%). Bij ruim een kwart betrof het een overtijdsbehandeling (abortuspil of curettage) in een abortuskliniek/ziekenhuis bij maximaal 16 dagen ‘overtijd’. Het aantal zwangerschapsafbrekingen in het tweede trimester is in 2017 niet veranderd (18% in 2016 en in 2017). 

Het aandeel overtijdbehandelingen blijft vrijwel stabiel

Een overtijdbehandeling is een zwangerschapsafbreking in de periode tot 16 dagen ‘overtijd’, die zowel medicamenteus (‘abortuspil’) als instrumenteel (curettage) kan worden uitgevoerd.  

De overtijdbehandeling verschilt van de overige zwangerschapsafbrekingen door de zwangerschapsduur en door wettelijke bepalingen: bij een overtijdbehandeling is de bedenktermijn niet wettelijk verplicht en geldt de wettelijke registratieverplichting voor zwangerschapsafbrekingen niet. Toch melden de abortusklinieken de overtijdbehandelingen vrijwillig aan de inspectie. Drie klinieken maken in de registratie geen onderscheid tussen overtijdbehandeling en overige zwangerschapsafbrekingen; de overige klinieken melden de overtijdbehandelingen apart van de overige zwangerschapsafbrekingen. Ziekenhuizen maken in de registratie geen onderscheid tussen overtijdbehandeling en overige zwangerschapsafbrekingen.

Het aandeel overtijdbehandelingen neemt sinds 1990 toe. Dit duidt erop dat vrouwen hun (ongewenste) zwangerschap in een eerder stadium ontdekken. Wel is in 2017 een daling (2,3%) te zien. 

Helft zwangerschapsafbrekingen bij vrouwen met kinderen

Net als in de afgelopen jaren laten de cijfers zien dat meer dan de helft van de behandelde vrouwen al één of meer kinderen heeft. Hierbij gaat het om het aantal kinderen dat de vrouw zelf heeft gekregen en/of waar zij zorg voor draagt. Hieronder vallen ook stief-, adoptie- of pleegkinderen en reeds overleden kinderen die door de vrouw tot haar kinderen worden gerekend.

Een derde onderging al eerder een zwangerschapsafbreking

Bij tweederde van de behandelde vrouwen was dit de eerste zwangerschapsafbreking. Bijna een kwart had eerder één zwangerschapsafbreking ondergaan. De overige vrouwen hadden twee of meer zwangerschapsafbrekingen ondergaan. Deze cijfers wijken in 2017 niet af van voorgaande jaren. 

Aantal tweede trimesterabortussen iets lager 

Voor het verrichten van tweede trimesterabortussen (zwangerschapsafbreking boven 12 weken) is een aparte vergunning vereist. De WAZ en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) stellen daarvoor aanvullende eisen. Ook de opleiding van abortusartsen maakt een onderscheid tussen de trimesters. In 2017 betrof was 18 procent van de zwangerschapsafbrekingen een tweedetrimesterabortus (5.529). In 2016 en 2015 was dit respectievelijk 5.538 (18%) en 5.731 (19% van alle zwangerschapsafbrekingen). 

Relatieve verdeling van zwangerschapsduur bij zwangerschapsafbrekingen in 2017

Overgrote deel van behandelingen in abortusklinieken

Het overgrote deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in abortusklinieken. Het aandeel van ziekenhuizen in de zwangerschapsafbrekingen vertoonde de laatste jaren een licht stijgende trend en schommelt inmiddels rond de 9%. Het absolute aantal afbrekingen in ziekenhuizen steeg in 2017 met 168. 

Zwangerschapsafbrekingen na prenatale diagnostiek vooral in ziekenhuizen

Van de zwangerschapsafbrekingen in de ziekenhuizen had 37,6% een relatie met de resultaten van prenatale diagnostiek, terwijl dit bij abortusklinieken voor 0,4% het geval was. Uitgaande van de noemer ‘zwangerschapsafbrekingen zonder overtijdbehandelingen’, was in 2016 het percentage zwangerschapsafbrekingen met een relatie met prenatale diagnostiek 5% (1.152 van de 22.933 behandelingen). In 2015 was dit 4,46 procent en in 2014 4,4 procent. Dit aandeel stijgt dus langzaam.

Bijna de helft van de vrouwen die voor een overtijdbehandeling kiest, meldt zich rechtstreeks bij de kliniek

Vergelijkbaar met vorige jaren gaan de meeste vrouwen zonder verwijzing rechtstreeks naar de abortuskliniek (31%). Bij vrouwen die een overtijdbehandeling kregen, was dit 48% en bij vrouwen met een latere zwangerschapsafbreking was dit 25%. Dit verschil bestond ook in voorgaande jaren. Dit wijst erop dat vrouwen met name in de vroege zwangerschap rechtstreeks naar een kliniek gaan. Verwijzingen kwamen in de meeste gevallen (55%) van de huisarts. Vrouwen die in ziekenhuizen behandeld worden waren vaak verwezen door een ‘andere verwijzer’ (25% in ziekenhuizen versus 0,4% in abortusklinieken). Deze ‘andere verwijzers’ betreffen met name verloskundige, echocentrum, klinisch geneticus, cardioloog of internist, wat duidt op een medische indicatie voor de verwijzing naar het ziekenhuis.  

Een derde van de vrouwen die kiest voor een overtijdbehandelingen, laat zich direct behandelen

Een zwangerschap mag volgens een bepaling in de WAZ niet eerder worden afgebroken “dan op de zesde dag nadat de vrouw haar voornemen heeft besproken met een arts”. Bij een overtijdbehandeling geldt de verplichte wachttijd niet. Toch werd in 2017 net als in 2016 bij bijna tweederde van de overtijdbehandelingen wel een beraadtermijn gehanteerd, bij de helft zelfs langer dan vijf dagen. Ruim een derde (34,7%) liet zich meteen op de dag van de eerste afspraak behandelen.

Meer medicamenteuze behandelingen 

In de behandeling bij zowel abortusklinieken als ziekenhuizen wordt vaker gekozen voor het gebruik van medicijnen; een medicamenteuze behandeling. Bij 27% van de zwangerschapsafbrekingen werden alleen medicijnen ingezet voor de behandeling, de abortuspil. In de abortusklinieken is daarnaast een stijging te zien van gecombineerde behandelingen van 39% in 2015 naar 71% in 2017. Dit komt omdat de richtlijn van abortusartsen in 2015 is gewijzigd, waarin wordt aanbevolen om onder andere vanaf 9 weken zwangerschapsduur ‘priming’ te geven. Dat is een medicamenteuze voorbehandeling.

Preventie

Een belangrijk onderdeel van de nazorg na abortus is het gesprek over anticonceptie. Volgens de registratie verliet 64% van de vrouwen de abortuskliniek of het ziekenhuis met een anticonceptieadvies, en 29% met een verwijzing naar de huisarts. In vergelijking met vorige jaren is hier een verschuiving te zien van de abortuskliniek of het ziekenhuis (ca. 75% in 2016) naar de huisarts (21% in 2016). De reden voor de toename van verwijzingen is niet bekend.

Achtergrondinformatie