Cijfers en feiten

In 2016 werden 30.144 zwangerschapsafbrekingen uitgevoerd. Dit zijn, absoluut gezien, 659 minder uitgevoerde zwangerschapsafbrekingen dan in 2015. Daarbij ging het bij 88% van de gevallen om behandelingen uitgevoerd bij vrouwen woonachtig in Nederland en bij 12% om behandelingen bij vrouwen woonachtig in het buitenland. Het percentage vrouwen dat uit het buitenland naar Nederland komt voor een abortusbehandeling is de laatste jaren ongeveer gelijk (13% in 2015) gebleven.

De belangrijkste bron voor abortuscijfers is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De Inspectie brengt ieder jaar een rapportage uit over de abortushulpverlening in het voorgaande jaar. De (geanonimiseerde) cijfers worden door de klinieken en ziekenhuizen zelf aangeleverd. Zij zijn hiertoe verplicht vanuit de Wet Afbreking Zwangerschap (Wafz), die in 1984 van kracht werd. Het meest actuele jaarrapportage is uitgegeven op 17 januari 2018 en bevat de cijfers over het jaar 2016. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies uit dit jaarrapport weergegeven.

Trends

Lichte daling zwangerschapsafbrekingen

Het totale aantal zwangerschapsafbrekingen (inclusief overtijdbehandelingen) lag sinds het jaar 2000 rond de 33.000 per jaar. Vanaf 2008 daalde het aantal zwangerschapsafbrekingen op jaarbasis. In 2015 was er voor het eerst weer een lichte stijging te zien (n=442, stijging van 1,5%). In 2016 heeft de dalende trend zich weer voortgezet en zijn er 659 minder zwangerschapsafbrekingen dan in 2015. 

Daling afbreking tienerzwangerschappen

Sinds 2002 daalt het aantal afbrekingen bij tienerzwangerschappen; zo ook in 2016. Gekeken naar de groep vrouwen onder de 20 jaar, zien we dat de daling van het aantal zwangerschapsafbrekingen bij tieners ook in 2016 doorzet (van 3.097 in 2015 naar 2.941 in 2016). Dit is in lijn met de daling van het aantal tienermoeders en tienerzwangerschappen in Nederland.  

Aantallen zwangerschapsafbrekingen 2016

Zwangerschapsafbreking buitenlandse vrouwen

Het percentage vrouwen dat uit het buitenland naar Nederland komt voor een abortusbehandeling is de laatste jaren ongeveer gelijk gebleven. Sinds 2002 schommelt het aandeel van behandelingen bij vrouwen die niet in Nederland woonachtig zijn tussen de 12 en 14 procent van alle afbrekingen. In 2016 is 12% van de behandelingen uitgevoerd bij vrouwen woonachtig in het buitenland (13% in 2015). De meeste buitenlandse vrouwen zijn afkomstig uit Frankrijk en Duitsland.

Wederom meeste zwangerschapsafbrekingen in de leeftijdscategorie 25-30 

In 2015 waren voor het eerst de meeste afbrekingen in de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar. In de jaren daarvoor vonden absoluut en relatief gezien de meeste zwangerschapsafbrekingen plaatst bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar. Ook in 2016 vonden de meeste zwangerschapsafbrekingen plaats bij vrouwen in de leeftijdscategorie van 25 tot 30 jaar. Ook in de leeftijdscategorieën 30 tot 35 jaar en 35 tot 40 jaar nam het aantal afbrekingen toe.

Zwangerschapsafbreking in een eerder stadium

Het grootste deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in de eerste 7 weken van de zwangerschap (53%). Bij ruim een kwart betrof het een overtijdsbehandeling (abortuspil of curettage) in een abortuskliniek/ziekenhuis bij maximaal 16 dagen ‘overtijd’ zijn.  Het aantal zwangerschapsafbrekingen in het tweede trimester is in 2016 licht gedaald (18% in 2016 versus 19% in 2015). De resultaten van prenatale screening vormden bij 4,6 % van de zwangerschapsafbrekingen in het tweede trimester de reden voor het besluit. 

Het aandeel overtijdbehandelingen blijft vrijwel stabiel

Een overtijdbehandeling is een zwangerschapsafbreking in de periode tot 16 dagen ‘overtijd’, die zowel medicamenteus (‘abortuspil’) als instrumenteel (curettage) kan worden uitgevoerd.  

De overtijdbehandeling onderscheidt zich van de overige zwangerschapsafbrekingen uitsluitend door de zwangerschapsduur en door wettelijke bepalingen: bij een overtijdbehandeling is de beraadtermijn niet wettelijk verplicht en geldt de wettelijke registratieverplichting voor zwangerschapsafbrekingen niet. Niettemin melden de abortusklinieken de overtijdbehandelingen vrijwillig aan de inspectie. Drie klinieken maken in de registratie geen onderscheid tussen overtijdbehandeling en overige zwangerschapsafbrekingen; de overige klinieken melden de overtijdbehandelingen separaat van de overige zwangerschapsafbrekingen. Ziekenhuizen maken in de registratie geen onderscheid tussen overtijdbehandeling en overige zwangerschapsafbrekingen.

In de tabel hieronder is te zien dat het aandeel overtijdbehandelingen sinds 1990 toeneemt. Dit duidt erop dat vrouwen hun (ongewenste) zwangerschap in een eerder stadium ontdekken. Wel is in 2016 een lichte (0,06%) daling te zien. 

Tabel 1. Aantal apart gemelde overtijdbehandelingen binnen totaal aantal zwangerschapsafbrekingen*

Jaar Aantal overtijdbehandelingen Percentage overtijdbehandelingen binnen totaal aantal zwangerschapsafbrekingen (%)
1990       3.485 11,5
1995 3.498 12,2
2000 6.005 18,0
2005 6.311 19,1
2009 7.652 23,6
2014 8.229 27,1
2015 8.553 27,8
2016 8.191 27,2

* Het percentage overtijdbehandelingen binnen het totaal aantal abortus is in werkelijkheid hoger, omdat drie abortusklinieken en de ziekenhuizen deze vroege abortussen wel opgeven maar niet apart als ‘overtijdbehandeling’ benoemen.

Abortuscijfer en abortusratio iets gedaald

Het abortuscijfer is – conform de internationale definitie - het aantal zwangerschapsafbrekingen per 1000 vrouwen van 15 tot en met 44 jaar. Het abortuscijfer relateert zo het aantal zwangerschapsafbrekingen aan het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De behandelingen van (Nederlandse) vrouwen die in het buitenland woonachtig zijn, zijn hierin niet meegerekend. Het abortuscijfer is sinds 2002 redelijk stabiel rond de 8,7. In 2016 was het abortuscijfer 8,5.

De abortusratio geeft de verhouding aan tussen het aantal zwangerschapsafbrekingen en het aantal levend geboren kinderen in het betreffende jaar. In 2016 was dit 154, 4 punten lager dan in 2015. Deze daling wordt verklaard door het lagere aantal zwangerschapsafbrekingen in combinatie met het hogere aantal levendgeborenen in 2016. In 2016 werden 172.520 kinderen geboren, 2010 meer dan in 2015 (170.510 levendgeborenen).  

Helft zwangerschapsafbrekingen bij vrouwen met kinderen

Evenals in 2015 laten de cijfers zien dat meer dan de helft van de behandelde vrouwen de zorg had voor één of meer kinderen. Hierbij gaat om het aantal kinderen dat de vrouw zelf heeft gekregen en/of waar zij zorg voor draagt. Hieronder worden ook stief-, adoptie- of pleegkinderen verstaan, alsmede reeds overleden kinderen die door de vrouw tot haar kinderen worden gerekend.

Een derde had al eerder een zwangerschapsafbreking

Bij tweederde van de behandelde vrouwen was dit de eerste zwangerschapsafbreking. Bijna een kwart had eerder één zwangerschapsafbreking ondergaan. De overige vrouwen hadden twee of meer zwangerschapsafbrekingen gehad. Deze cijfers wijken in 2016 niet af van voorgaande jaren. 

Aantal tweede trimesterabortussen iets lager 

Voor het verrichten van tweede trimesterabortussen (zwangerschapsafbreking boven 12 weken) is een aparte vergunning vereist. De Wafz en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) stellen daarvoor aanvullende eisen. Ook de opleiding van abortusartsen maakt een onderscheid tussen de trimesters. In 2016 betrof 18 procent van de zwangerschapsafbrekingen een tweedetrimesterabortus (5.538). In 2015 en 2014 was dit respectievelijk 5.731  (19 procent) en 5.585 (18 procent van alle zwangerschapsafbrekingen). 

Verdeling zwangerschapsduur klinieken ziekenhuizen

Voor het eerst in jaren lichte daling aantal zwangerschapsafbrekingen in ziekenhuizen 

Het overgrote deel van de zwangerschapsafbrekingen vond plaats in abortusklinieken. Het aandeel van ziekenhuizen in de zwangerschapsafbrekingen vertoonde de laatste jaren een licht stijgende trend (tot 9,3 procent in 2015). Deze trend wordt in 2016 doorbroken (8,6 procent). 

Zwangerschapsafbrekingen na prenatale diagnostiek vooral in ziekenhuizen

Van de zwangerschapsafbrekingen in de ziekenhuizen had 32,4% een relatie met de resultaten van prenatale diagnostiek, terwijl dit bij abortusklinieken voor 0,5% het geval was. Uitgaande van de noemer ‘zwangerschapsafbrekingen zonder overtijdbehandelingen’, was in 2015 het percentage zwangerschapsafbrekingen met een relatie met prenatale diagnostiek 4,6% (1.024 van de 22.250 behandelingen). In 2014 was dit 4,4 procent en in 2013 4,6 procent. Dit aandeel is de afgelopen jaren dus relatief stabiel gebleven.

Bijna de helft van de vrouwen die voor een overtijdbehandeling kiest, meldt zich rechtstreeks bij de kliniek

Vergelijkbaar met vorige jaren gaan de meeste vrouwen zonder verwijzing rechtstreeks naar de abortuskliniek (29%). Bij vrouwen die een overtijdbehandeling kregen, was dit 45% en bij vrouwen met een latere zwangerschapsafbreking was dit 22%. Dit verschil bestond ook in voorgaande jaren. Dit wijst er op dat vrouwen met name in de vroege zwangerschap rechtstreeks naar een kliniek gaan.  Verwijzingen kwamen in de meeste gevallen (57%) van de huisarts. Vrouwen die in ziekenhuizen behandeld worden waren vaak verwezen door een ‘andere verwijzer’ (22 procent in ziekenhuizen versus 1,4 procent in abortusklinieken). Deze ‘andere verwijzers’ betreffen met name verloskundige,  echocentrum, klinisch geneticus, cardioloog of internist, hetgeen duidt op een medische indicatie voor de verwijzing naar het ziekenhuis.  

Een derde van de vrouwen die kiest voor een overtijdbehandelingen, laat zich direct behandelen

Een zwangerschap mag volgens een bepaling in de Wafz niet eerder worden afgebroken “dan op de zesde dag nadat de vrouw haar voornemen heeft besproken met een arts”. Bij een overtijdbehandeling geldt de verplichte wachttijd niet. Toch werd in 2015 evenals in 2015 bij bijna tweederde van de overtijdbehandelingen wel een beraadtermijn gehanteerd, bij de helft zelfs langer dan vijf dagen. Ruim een derde (35,8%) liet zich meteen op de dag van de eerste afspraak behandelen.

Preventie

Een belangrijk onderdeel van de nazorg na de behandeling is het gesprek over anticonceptie. Volgens de registratie verliet driekwart van de vrouwen de abortuskliniek of het ziekenhuis met een anticonceptieadvies, en 21 procent met een verwijzing naar de huisarts.

Factsheets