Achtergrond

Abortus in een historisch kader

Vanaf 1 november 1984 is de huidige Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ) van kracht. De totstandkoming van deze wet kent echter een lange voorgeschiedenis. 

Abortus vindt al eeuwenlang plaats, ondanks dat de katholieke en protestantse kerk het niet toestonden. Er waren fysieke activiteiten en kruiden en middeltjes die erom bekend stonden een einde te kunnen maken aan de zwangerschap. In de 19e en 20e eeuw veranderde er veel op medisch gebied, waardoor abortus op meerdere manieren, ook chirurgisch, mogelijk werd. 

Strafbaarstelling

Met de zedelijkheidswetten van 1911 werden vele nieuwe delicten toegevoegd aan het Wetboek van Strafrecht. Na jaren van discussie was dit een triomf voor de christelijke moraal. Ook abortus werd hierin officieel verboden. De behandelaars (de artsen of de illegale aborteurs) die desondanks een abortus uitvoerden waren strafbaar, de vrouwen die de abortus ondergingen niet.  

De abortusbehandelingen, die er ondanks de wet waren, speelden zich af in het diepste geheim. Het aantal uitgevoerde abortussen werd in 1960 door de gynaecoloog Kloosterman geschat op 5000 tot 20.000 per jaar. Een poging van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming in 1946, om een commissie op te richten voor het abortusprobleem, mislukte. Er waren onvoldoende artsen die zitting durfden te nemen.

Illegale abortus

Voorbehoedsmiddelen waren er vroeger nauwelijks. Vrouwen deden van alles om van een ongewenste zwangerschap af te komen. Als ze geluk en geld hadden, konden ze terecht bij een goedwillende dokter. Maar meestal namen ze hun toevlucht tot een illegale aborteur, de zogenaamde ‘engeltjesmaker’. De illegale abortussen hadden vaak afschuwelijke gevolgen. Onhygiënische instrumenten en ondeskundig handelen hadden hevige complicaties en soms de dood tot gevolg. 

Veranderend abortus klimaat

Door de jaren heen versoepelde echter het vervolgingsbeleid. Dat blijkt ook uit de cijfers: in 1958 werden landelijk 105 personen veroordeeld en in 1963 nog maar 38 personen.
Medici en juristen discussieerden eind jaren 60 over het punt of de gezondheidstoestand van de vrouw een gerechtvaardigde grond was voor de ingreep. Tegelijkertijd werd de samenleving vrijer, er werd openlijker gesproken over seks en anticonceptie. De pil deed zijn intrede. 

Vrouwengroeperingen

In West-Europa was in 1967 Engeland het eerste land waarin abortus bij wet werd geregeld. Dit alles had tot gevolg dat steeds meer vrouwen bij hun huisarts of bij de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) openlijk om een abortus vroegen. Vanaf 1967 probeerden verschillende vrouwengroeperingen abortus op de politieke agenda te krijgen. Organisaties als Man-Vrouw-Maatschappij (MVM) en Vrouwencontact wilden abortus uit het strafrecht hebben. Vanaf 1970 mengde de actiegroep Dolle Mina zich in de strijd met de leus: ‘Baas in eigen buik’. Met deze emancipatiebeweging veranderde ook de publieke opinie. In 1968 vond 38% van de Nederlanders abortus onaanvaardbaar, twee jaar later nog maar 11%. Artsen liepen nog altijd het risico om vervolgd te worden, al gebeurde dat nauwelijks. De wetgeving liep achter de maatschappelijke ontwikkelingen aan. 

Abortusklinieken

In 1971 opende Stichting Medisch Verantwoorde Zwangerschapsonderbreking (Stimezo) de eerste abortuskliniek in Arnhem. In 1975 waren er al 9 Stimezo-klinieken. Er werd nauwelijks strafrechtelijk vervolgd. De wet was nog niet veranderd maar de wetgever gedoogde. De criteria voor een abortus werden opgerekt: vrouwen in nood mochten een abortus ondergaan. In de praktijk werd het ' ja-tenzij' principe gehanteerd.
Ook de abortustermijn werd uitgebreid. Abortusklinieken hanteerden een grens van 12 tot 14 weken zwangerschap. Maar in de kliniek in Bloemenhove werden ook abortusbehandelingen toegepast op verder gevorderde zwangerschappen.

Tegenstanders abortus

De meer zichtbare abortuspraktijk in het begin van de jaren 70 riep ook tegenstand op. De ‘Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind' (VBOK) en 'Redt het ongeboren kind' werden opgericht. Tot 1980 werden veel protestacties opgezet. Minister van Justitie Van Agt was daarin één van de voortrekkers. Toen hij in 1976 probeerde om de Bloemenhove kliniek te sluiten, werd de kliniek uit protest bezet door vrouwen waarmee sluiting werd voorkomen.

In de recentere geschiedenis zien we opnieuw een opkomst van wat vandaag de dag pro-life bewegingen wordt genoemd. Vanuit het standpunt van bescherming van ieder (ongeboren) leven organiseren zij bijvoorbeeld de Mars voor het Leven, waarvan het protest tegen abortus onderdeel uitmaakt. 

Abortuswet

In 1981 werd uiteindelijk de nieuwe abortuswet aangenomen die in 1984 in werking trad. In de wet is geregeld dat abortus is toegestaan onder bepaalde voorwaarden. 

Meer achtergrondinformatie over de historie van abortus vind je: