Atina

“Mijn leven? Chaotisch. Ik ben zekertwaalf keer verhuisd: op mijn zevendeuithuis geplaatst, in eenkindertehuis terechtgekomen, daarna naar een instelling voor verwaarloosde kinderen, en nog veel meer.

Ik was 22 toen ik zwanger werd. Ik had net mijn mbo-opleiding afgerond en probeerde mijn leven weer op poten te krijgen. Het was me al snel duidelijk dat ik niet zelf voor mijn kind kon gaan zorgen. Toen mijn opa en oma erachter kwamen, zeiden ze gelijk: ‘Nou, dan doen wij het wel.’ Maar ze waren al zo oud. Dat kon ik niet maken. Abortus wilde ik niet. Er zijn genoeg vrouwen die graag een kind willen en bij wie het niet lukt. Dan sta ik liever mijn kind af.

Degene van wie ik zwanger was, weet het niet: er waren twee jongens die de vader konden zijn. Dus ik moest het alleen uitzoeken.

Mijn buurjongen is toen met mij meegegaan naar Fiom. Ze vroegen me daar wat ik nou echt wilde. Het belangrijkste vond ik dat mijn kind in een liefdevol gezin terecht zou komen, liefst met ervaring. En dat is het geworden: lieve mensen die al een jongetje hadden geadopteerd.”

Zelf een naam geven

“Roos werd geboren om 16.25 uur. Rond 20 uur mocht ik haar zien. Ze werd naar me toe gebracht in een wagentje. Ik mocht haar niet vasthouden… Dat is me altijd bijgebleven. Dat mocht gewoon niet, want dan zou ik me aan haar gaan hechten. Gelukkig heb ik haar wel zelf een naam gegeven.

De eerste jaren na het afscheid waren heel verdrietig. Het waren moeilijke jaren. Ik ben toen aan de drugs geraakt, heel stom. Op die manier kon ik alles even helemaal vergeten. Ik ben in een diep dal terechtgekomen. Mijn ogen werden pas geopend toen ik bij twee kennissen was die een klein kind hadden. De heroïne lag gewoon op tafel terwijl dat jochie daar rondliep. Waar zijn we mee bezig, dacht ik. Toen ben ik gestopt met de drugs.”

Ze is en blijft mijn dochter

“Ik heb het er wel moeilijk mee gehad dat ik mijn dochter heb afgestaan. Maar ik heb nooit gedacht dat het niet goed voor haar zou zijn. Ik denk juist dat het heel goed voor haar is geweest. Want ze gaat nu tenminste normaal naar school, op vakantie, ze doet de dingen die ik vroeger niet heb kunnen doen. Zo geef ik mijn ellende niet door aan haar, daar ben ik blij om.

Wel voelde ik verdriet dat ik al die jaren geen contact had. Toen Roos een jaar of drie was, kreeg ik voor het eerst foto’s van haar te zien. Ik sprong een gat in de lucht. Ik vond haar zo ontzettend mooi. Toen ze tien werd heb ik gevraagd of ik Roos mocht zien. Het was volgens de adoptieouders, de Kinderbescherming en Fiom nog te vroeg. Ik begreep het wel maar vond het zwaar. Gelukkig wilde ze op haar twaalfde zelf contact. Net als bij het zien van de foto’s toen ze drie was kon ik mijn geluk niet op. Ik ontmoette haar samen met haar adoptieouders. Oh wow, zo’n mooi meisje. Het liefst was ik naar haar toegerend en had ik haar in mijn armen genomen. We hebben elkaar allerlei vragen gesteld, en ik heb haar naar eer en geweten geantwoord. ze bleek net als ik te zingen, dat vond ik heel leuk. Aan de ene kant was ik heel blij dat ik haar gezien had, maar het weggaan en afscheid nemen vond ik afschuwelijk.

Vier keer heb ik haar nu ontmoet. Tijdens het laatste contact vroeg Roos  naar haar vader. Ik zei dat ik het niet kon uitleggen. Zij reageerde boos; als ik het niet uitlegde, wilde zij nooit meer iets met mij te maken hebben. Dus liet ik me overhalen en vertelde dat ik twee vriendjes na elkaar had gehad en niet zeker wist wie de vader was. Toen werd zij heel boos en antwoordde dat ik een hoer was. Daarna hebben we geen contact meer gehad.

In het begin was ik boos en teleurgesteld. Maar achteraf weet ik: zij zit in de puberteit, daar kan het mee te maken hebben. Ik probeer het te relativeren. Ik stuur geen mailtjes meer, dat zou alleen maar meer frustraties geven. Maar het is niet leuk, het voelt wel verscheurd. Voor mij wel weer een bewijs dat ik gefaald heb. Toch had ik het contact niet willen missen. En wat ze ook doet of zegt, ze is en blijft mijn dochter, mijn vlees en bloed.”

Altijd een oordeel

“Ik vind het jammer dat iedereen altijd een oordeel heeft. En weet je wat dat oordeel is? Jij hebt je kinderen weggedaan zodat jij lekker kunt feesten.’ Maar ze kijken niet naar de achterliggende situatie. Ze kijken niet naar hoe mijn jeugd was en dat ik mijn kinderen niet met dezelfde problemen wil opzadelen.

Soms schaam ik me, voor mezelf, voor hoe ik de dingen heb gedaan, voor hoe ik mijn leven heb ingevuld. Dan voel ik me schuldig. Maar aan de andere kant ben ik ook trots dat ik het patroon van mijn ouders doorbroken heb. Ik ben blij dat Roos wel een goed leven heeft gekregen.”

Dit ingekorte verhaal komt uit ‘Eigen bloed’ van Astrid Werdmuller. De naam van de geïnterviewde is vanwege privacyredenen gefingeerd.