‘Van wie heb ik toch mijn blauwe ogen?’

Als de ouders van Nathalie (38) erachter komen dat ze geen kinderen kunnen krijgen, gaan ze naar de kliniek van Jan Karbaat. 18 jaar later vertelt Nathalie’s moeder dat zij en haar zus Wilma donorkinderen zijn. “Ik vind het heel bijzonder dat ik 40 halfbroers en halfzussen heb, maar tegelijkertijd maakt het duidelijk hoeveel er destijds gesjoemeld is.”

Puzzelstukjes

“Destijds moesten mijn ouders in de kliniek een contract ter geheimhouding tekenen. Ze mochten mij, maar ook de familie en mensen in hun omgeving, niet vertellen dat ik een donorkind was. Toen mijn ouders gingen scheiden, heeft mijn moeder het verteld. Op een parkeerterrein, ik kwam net van school uit Tilburg. Wat voelde ik me verloren. Mijn hele leven was een leugen.” Maar langzaam vielen voor Nathalie de puzzelstukjes op hun plek. “Tijdens mijn opleiding leerde ik over erfelijkheid. Dat vond ik ontzettend interessant. Mijn vader had bruine ogen. Hoe kwamen mijn zus en ik dan aan blauwe ogen? De biologieleraar vertelde dat mijn vader misschien wel drager was van het gen voor blauwe ogen. Dat was zeldzaam, maar kwam wel voor.” Bij thuiskomst werd het verhaal bevestigd door haar moeder. “Terwijl de zussen van mijn vader ook bruine ogen hebben. Ergens klopte er iets niet.”

 

Zo lang stil gehouden

Tegenwoordig praat Nathalie open met haar moeder over het onderwerp. “Daar ben ik blij mee. Ze heeft het mij eerder willen vertellen, maar het was met name mijn vader die dit tegenhield. Na de scheiding vertelde hij aan collega’s dat wij niet zijn kinderen waren. Daardoor besloot mijn moeder om het ons te vertellen. Ze was erg overstuur. Zelfs haar eigen zus wist het niet. Mijn vader is een trotse man. Ik denk dat het voor hem heel pijnlijk was dat hij geen kinderen kon krijgen en dat hij het daarom zo lang stil heeft gehouden.” 

Geen dossier

Toen het geheim eenmaal bekend was, belde haar moeder met Karbaat over het dossier, maar dit was er niet meer. “Dat was een ontzettende klap voor mij. Hierdoor wist ik niets over mijn donor. Destijds stond DNA-techniek nog in de kinderschoenen. Ik volgde de ontwikkelingen wel op de voet. Jelte Sondij vond zijn donorvader, Stichting Donorkind werd opgericht. Ik vond het allemaal erg interessant, het bleef altijd in mijn achterhoofd, maar ik deed er nog niets mee. Mijn moeder voelde zich ondertussen enorm schuldig, maar dat hoeft niet. Mijn ouders hebben gedaan wat ze dachten dat goed was. Ze vertrouwden de arts, logisch! Normaal heeft een dokter het beste met je voor. Ze kon niet weten wat Karbaat allemaal deed.”

Zussen

Tegelijkertijd was Nathalie benieuwd: op wie lijk ik? “Op foto’s van mijn opa en oma van moeders kant zag ik gelijkenissen, maar ik had ook kenmerken die ik bij niemand herkende.” In 2014 komen de misstanden van Karbaat aan het licht. “Toen ik van alles over hem en zijn praktijk op internet las, stortte ik in. Was hij mijn donorvader? Was mijn zus Wilma wel een volle zus? Ik belde mijn moeder en raadde haar af om op internet te kijken. Het was verschrikkelijk. In 2015 schrijf ik me in bij de Fiom KID-DNA Databank. Toen de envelop van het ziekenhuis kwam met de uitslag of Wilma en ik volle zussen waren, had ik het niet meer. Ik heb het wel een paar keer moeten lezen: we waren volle zussen! Ook mijn moeder kon het niet geloven.”

Groepsmatch

Uit de inschrijving bij Fiom komen 25 matches. Later komen daar via de internationale DNA databank FTDNA nog matches bij. Inmiddels staat de teller op 40. “Toen ik gebeld werd door Fiom werd er gezegd ‘ga even zitten’, maar ik vond het ontzettend gaaf om te horen! Vroeger wilde ik altijd een broertje, heb huilend op de vloer gelegen toen ik een zusje kreeg. En nu ineens heb ik 12 broers!” De halfbroers en halfzussen hebben een besloten Facebook-groep en een WhatsApp groep. “Voor de mensen die willen natuurlijk. Als er een nieuwe match is, zeggen we ‘kom erbij, maar doe het op jouw tempo’. We hebben geregeld onderling contact, met de een meer dan met de ander. Met sommige mensen heb je geen klik en dat is ok. Het is onmogelijk om met iedereen een goede band te hebben.” 

Samen muziek maken

De halfbroers en halfzussen komen regelmatig samen. “Dan spreken we ergens af, bij iemand thuis en dan zitten we de hele dag te praten. Ik ben zo blij met onze groep, het voelt heel warm en lief. We steunen elkaar en raken niet uitgepraat.” Zelf ziet Nathalie het niet meteen, maar haar vriend maakt haar attent op hoeveel ze lijkt op sommige halfbroers of -zussen. “We zijn bijna allemaal muzikaal en hebben soms wat last van OCD”, lacht ze. “Tijdens de laatste bijeenkomst hebben we ook samen muziek gemaakt. Dan voel ik me thuis. Het is echt een verrijking van mijn leven.”

Beschuit met muisjes

Nathalie heeft haar donorvader nog niet gevonden. “Ik ben benieuwd wie hij is. Ik heb heel veel vragen. Of hij ooit aan ons gedacht heeft, ons heeft willen zoeken. Waarom hij gedoneerd heeft, hoe hij is opgegroeid, wat zijn normen en waarden zijn. Ik ben nieuwsgierig naar de essentie van mijn donor.” Daarnaast hoopt ze met het naar buiten treden met haar verhaal, dat er meer openheid komt. Sommige mensen weten dat ze donorkind zijn, maar mogen dit van hun ouders niet aan anderen vertellen. Dat is heel pijnlijk.” Het is inmiddels een jaar geleden dat Nathalie’s eerste matches met haar halfzussen -broers bekend werden. Dat wordt natuurlijk gevierd. Hoe? “Met beschuit met muisjes!”