Hulp

27-04-2009 - In tegenstelling van wat iedereen om mij heen verwachtte, werd ik niet gelukkig na de eerste ontmoeting met mijn afgestane zoon.

Ja, de ontmoeting zelf was geweldig. Voldeed aan wat ik altijd gefantaseerd had (met uitzondering van de plaats) . Ik dagdroomde meestal over mijn afgestane zoon die ik ontmoette ergens op een zonnig terras in Rotterdam. We hadden samen een geweldig leuk en onderhoudend gesprek. Tot zover kwam mijn dagdroom uit.

Het gesprek met mijn zoon was geweldig, alleen de plaats was niet een zonnig terras maar de Raad van Kinderbescherming te Rotterdam. “Wat moet jij blij zijn dat jouw zoon je is gaan zoeken, wat een vreugde dat jullie elkaar hebben ontmoet”, zei iedereen die er over hoorde. Ik knikte ijverig van ja, maar in mijn hoofd sloop iets wat niet te sturen was.

Natuurlijk wist ik dat ik blij en gelukkig moest zijn over het feit dat hij mij was gaan zoeken en zelfs wilde ontmoeten, maar helaas werd ik verre van dat. Hoe groter mijn poging om gelukkig te zijn des te harder viel ik omlaag.

Ik, die een jaar na zijn geboorte zichzelf voorgenomen had om nooit meer te huilen, was daar wonderwel tot nu toe in geslaagd. Maar nu? De tranen stroomden zonder dat ik het wilde. Overal waar ik mij bevond, huilde ik dikke tranen. Ik begreep mijzelf niet meer en mijn omgeving begreep mij nog minder. Ik, die nooit ruzie had, zocht ruzie met iedereen.

Ik had hulp nodig, dat begreep ik wel. Maar waar haal je die hulp vandaan? Ik was de enige vrouw op de hele wereld die ooit een kind had afgestaan. Gelukkig was dat andere vrouwen nooit overkomen. Dus wie kon mij daarbij helpen? Maar er kwam een naam. De Fiom. Dit is een stichting die vrouwen zoals ik helpt. Ik viel van mijn stoel, ik was dus niet de enige. Er waren er meer….

Ik belde voor een afspraak en kreeg van de Fiom een uitnodiging voor een gesprek. De dag van het gesprek ging ik op pad. Voor het eerst naar Breda, de stad waar ik nooit eerder was geweest. Ik parkeerde mijn auto en liep het plein op. Het gebouw waar de Fiom gevestigd zit, is niet te missen: in mijn ogen architectonisch een prachtig gebouw.

Maar bij de eerste stap die ik over de drempel bij de Fiom zette, overviel mij een vreselijk gevoel. Ik was ineens weer 18, ik kreeg te maken met mensen die op mij neerkeken. Mijn allergie die ik na het afstaan van mijn zoon voor maatschappelijk werk en maatschappelijk werksters had ontwikkeld, kwam bij binnenkomst in alle hevigheid terug...

Renée de Bode-Grollée