Gesprek bij Fiom

09-05-2009 - Het had niets uitgemaakt wie het gesprek met mij bij Fiom ging leiden. Jong, oud, man of vrouw! Bij voorbaat was het een verloren gesprek. Ik haatte alles en iedereen voordat ik nog maar iemand gesproken had. Ik had willen schreeuwen, gillen, maar deed niets van dit alles. Bij mij heerste verwarring. Ik had nooit ergens over mogen praten en nu… Nu kwam ik op gesprek en mocht er over gesproken worden.

Ik werd tijdens de zwangerschap van mijn kind geïndoctrineerd. Klaar gestoomd voor afstand. Nergens overpraten, want anders… Ja wat anders? Wat ging er gebeuren als ik ooit mijn mond open ging doen? Dit was nu precies wat ik niet wist. Maar als ik mijn moeder, onze huisarts en maatschappelijk werkster uit die tijd goed begreep, hing het zwaard van Damocles boven mijn hoofd als ik sprak. Ik had gewoon geluk. De juiste oplossing werd voor mij bedacht. Wanneer ik mij aan de spelregels van zwijgen hield, kwam alles goed. Dus zweeg ik jaren lang. Soms twijfelde ik en dacht ‘wat zou er gebeuren als ik de vriendin die voor mij zit vertel dat ik een kind heb afgestaan’?

De medewerkster van Fiom was een vrouw van mijn leeftijd. Ze stond mij vriendelijk te woord. Ze vroeg of ik het erg vond als er een jonge stagiaire bij het gesprek aanwezig zou zijn? Nee, het maakte mij geen klap meer uit!

Renée de Bode-Grollée

Bij binnenkomst zag ik de papieren zakdoeken op tafel staan. ‘Voor als er gehuild moet worden’, zei ze lachend. De tenen in mijn schoenen kromden. Mijn nagels duwde ik in mijn handpalm. Vanuit mijn rug, kroop langs mijn wervels een pijn via mijn nek mijn hoofd binnen. Het was een vreselijke pijn en het bonken begon.

‘Denk maar niet dat ik ga huilen', had ik tegen haar willen schreeuwen. Dit genoegen gunde ik haar niet. Maar ik hield mijn mond. De vrouw voor mij was alleen maar aardig, keek niet op mij neer. Ze zorgde voor een steeds grotere verwarring binnen in mij.

‘Ze vond het een prettig gesprek’, zei ze na afloop tegen mij en ik had wel willen huilen. Mijn hoofd stond op exploderen. Ik mocht gaan. Ik zou nog van Fiom horen. Ja, dacht ik, maar de Fiom niet van mij. Nooit meer! Dit had ik daar terplekke zo bedacht.

Met mijn liefste glimlach nam ik voorgoed afscheid van Fiom. Van mij zouden ze nooit meer iets vernemen, mij zouden ze nooit meer zien…