Cecilia, Pamela en Matthé en Ria

Cecilia was zeventien jaar en ongehuwd toen ze zwanger werd. Dit werd door haar ouders niet geaccepteerd. Ze moest haar dochter Pamela afstaan. Pamela is geadopteerd door Matthé en Ria.

‘Door ontmoeting beetje meer mens geworden’

Afstandsmoeder Cecilia Linders
Moeder van Pamela (afgestaan ter adoptie) en twee zonen
Leeftijd: 64 jaar
Woonplaats: Waalre

Ongehuwd zwanger op je zeventiende… dat werd destijds door mijn ouders als een enorme schande gezien. Slecht voor de reputatie van de familie. Er werd direct beslist dat ik het kind zou afstaan. Vanaf het moment dat de zwangerschap zichtbaar werd, moest ik naar een zus die in Engeland woonde. Vanaf de zevende maand zat ik in Moederheil in Breda. Daar ben ik bevallen. Ik mocht de baby niet zien, er ging een doek over haar heen en ze werd onmiddellijk weggehaald.

Bij thuiskomst zei mijn vader: “Kind, dit is gebeurd en er wordt nooit meer over gesproken.” Dat deed ik dus ook niet, want ik was doodsbang voor mijn ouders. Maar al werd er niets meer over gezegd, het gemis was enorm. Op een dag ben ik teruggegaan naar de kinderbescherming om te zeggen dat ik mijn kind terug wilde hebben. Ze zeiden dat het niet kon, omdat ik voor de afstand had getekend en omdat ze bovendien al was geadopteerd. Achteraf blijkt dat dit niet waar was. Pamela, zoals ik mijn dochter had genoemd, is zelfs vrij lang in het kindertehuis geweest. Pas na dertien maanden is ze geadopteerd. Geen idee waarom ze daarover hebben gelogen. Misschien was dat het protocol.

Het hebben moeten afstaan van mijn kind heeft een enorme impact op mijn leven gehad. Het continu moeten wegdrukken van al die emoties heeft me verstild. Ik had het diep weggestopt maar de schande, het gevoel van schuld en schaamte bleef heel groot. Altijd.

Ruim tien jaar na de geboorte van mijn dochter ben ik getrouwd. Vrij snel nadat ik mijn man had leren kennen heb ik hem verteld dat ik een kind had gekregen dat ik heb af moeten staan. Hij zei meteen dat hij er verder niets over wilde horen. Dat verbaasde me niet, dat was ik immers ook zo gewend.

We gingen als expats naar het buitenland, woonden in veel verschillende landen en kregen twee zonen. Hij stierf vrij plotseling toen we net een tijdje weer in Nederland waren. De jongens waren elf en dertien. Niet lang daarna ben ik stevig in therapie gegaan en mede daardoor ben ik, vier jaar na zijn dood, Pamela gaan zoeken. Pas op dat moment heb ik tegen mijn twee zonen durven zeggen dat ze een halfzus hebben.

Pamela was vrij snel gevonden. We hadden meteen een klik. Het is een geweldige ontdekking om te zien dat er zo veel in je genen zit. Na de eerste ontmoeting ben ik weer een beetje meer mens geworden. Het heeft me geholpen om weer echt te durven voelen, dat kon ik niet meer, dat vond ik ongelooflijk eng.Rationeel had ik altijd tegen mezelf gezegd: dit was het beste voor haar. En met de wetenschap van nu denk ik dat dit ook inderdaad zo is. Pamela heeft geweldige ouders gekregen en ze is heel evenwichtig opgegroeid. Dat had ik haar niet kunnen bieden. Ik heb haar ouders ook een paar keer ontmoet. Het zijn heel lieve mensen.Die dertig jaar dat we elkaar niet gezien hebben, kan ik niet meer ongedaan maken. Dat probeer ik ook niet. De eerste jaren na onze kennismaking zijn we gewoon allebei onze aparte levens blijven leiden. Dat was prima.

Inmiddels heeft de band tussen Pamela en mij zich wel verder verdiept. We hebben veel gepraat. Het laatste jaar, anderhalf jaar zijn we steeds dichter bij elkaar gekomen. Het is een geweldige meid. Ook het contact met mij en haar drie kinderen is steeds beter geworden. Onlangs hebben ze hier gelogeerd, op hun verzoek, dat vind ik echt fantastisch. Ik ben blij met hoe de situatie nu is. Dit is echt een succesverhaal.

Cecilia is de (afstands)moeder van (geadopteerde) Pamela Potters.

‘Veel liefde en mogelijkheden gekregen’

Geadopteerde Pamela Potters
Burgerlijke staat: getrouwd, moeder van drie kinderen
Leeftijd: 45 jaar
Beroep: kwalitatief marktonderzoeker
Woonplaats: Buren

Als kind ben je aan het spiegelen, zoek je naar herkenning. Soms had ik een gezonde fantasie: zou ik op mijn moeder lijken? Voor zover ik me kan herinneren heb ik altijd geweten dat ik geadopteerd ben, net als mijn jongere broer. We zijn allebei geboren in Moederheil, een tehuis in Breda. Niet dat we daarover spraken…

Mijn adoptie hield me tijdens mijn jeugd niet echt bezig. Ik heb het er nooit moeilijk mee gehad. Ik ging naar school, groeide op, ging studeren, aan het werk. Ik heb heel veel liefde en mogelijkheden gekregen. Mijn ouders hebben altijd gezegd: als je op zoek wilt naar je biologische moeder, laat het ons weten, want wij hebben een naam. Dat gaf mij een soort blind vertrouwen. Iets in de trant van: zodra ik het echt wil weten, dan lukt het wel om haar te vinden. Daadwerkelijk daarmee aan de slag gaan hoefde daardoor voor mij niet. Misschien had het ook wel een beetje te maken met een enorme loyaliteit en dankbaarheid richting mijn ouders. Hoewel ik wist dat de ruimte er was, vond ik het toch moeilijk tegenover hen om te gaan zoeken naar mijn biologische roots. Bijna onbewust vroeg ik me af: doe ik dan mijn moeder niet te kort? En nog steeds, nu ik mijn biologische moeder al zestien jaar ken, zijn en blijven zíj mijn ouders.

Rond mijn dertigste, in 1998, ben ik overspannen geraakt. Tijdens de coachingsgesprekken die daarop volgden, werd geopperd dat het misschien toch verstandig was om aan de slag te gaan met mijn adoptie, ofwel mijn biologische achtergrond. Dat zou me wellicht tot nieuwe inzichten kunnen brengen. Ik stond er wel voor open maar vond het zo eng, dat ik eerst even nog wat moed moest verzamelen. Immers, kon ik ermee dealen als ze zou zeggen: rot op? Want dan wordt het een persoonlijke afwijzing. Gelukkig is het zover niet gekomen. Bijna op hetzelfde moment, nog voordat ik zelf iets had kunnen ondernemen, kreeg ik via Fiom een brief waarin stond dat “iemand contact met mij zocht”, dat was dus mijn biologische moeder.

We hebben eerst een paar brieven geschreven. De eerste ontmoeting heb ik nog even afgehouden. Ik had het beeld van haar altijd heel positief ingekleurd en dan kan de werkelijkheid natuurlijk heel erg tegenvallen. Vlak voor de eeuwwisseling, op 17 december 1999, hebben we elkaar voor het eerst ontmoet. Mijn (adoptie)moeder had een fotoboekje gemaakt met fragmenten uit mijn hele leven, dat was een geweldig idee, dat kon ik laten zien en dat was soms een leidraad tijdens het gesprek. De ontmoeting verliep goed. Het was heel mooi. Ik vind dat ik op haar lijk. Dat is heel bijzonder maar ook vreemd.

Het contact met mijn biologische moeder heeft mij versterkt. Dat ik weet wie ze is, dat ik haar ken, heeft mij een stukje completer gemaakt. Ik heb lieve ouders, een fijne jeugd gehad, maar toch was daar dan soms toch dat gevoel… En al kom ik heel daadkrachtig over, ik kon heel onzeker zijn en was een enorme pleaser.

Tegenwoordig zien we elkaar vrij regelmatig, zeker zo’n zes tot acht keer per jaar. Al met al denk ik dat het contact mijn biologische moeder mijn leven ten goede komt en ook dat van mijn kinderen. Onlangs hebben mijn twee dochters voor het eerst bij haar gelogeerd. Dat vonden ze alle drie heel leuk. En ik ook!

Pamela is de dochter van afstandsmoeder Cecilia Linders en van adoptieouders Matthé en Ria Potters.

‘Altijd open en eerlijk geweest’

Adoptieouders Matthé en Ria Potters
Leeftijd: 78 en 72 jaar
Ouders van Pamela en Thijs-Jan
Beroep: gepensioneerd medewerker accountantskantoor en onderwijzeres
Woonplaats: Bergen op Zoom

Twee keer zijn we in het tehuis een uurtje met haar gaan spelen. De derde keer mocht ze met ons mee naar huis. Pamela was toen dertien maanden. Haar moeder had haar Pamela genoemd, ik vond het een mooie naam, dus dat hebben we zo gelaten. Haar broer hebben we later op mogen halen in hetzelfde tehuis: Moederheil in Breda. Hij was op dat moment zes maanden oud. Hij heette Peter maar we noemden hem Thijs-Jan, naar onze beide vaders. Peter werd zijn derde naam.

Adoptie ging in die tijd, begin jaren zeventig, heel anders dan nu. Er waren ongeveer vijfduizend ouderparen beschikbaar voor achthonderd kinderen. Onze hele familie werd gescreend en toen alles was goedgekeurd konden we de kinderen zo meenemen. De hele procedure kostte niets. We moesten wel zelf kleertjes meenemen, want de kinderen kregen niks mee van Moederheil.

We zijn altijd heel eerlijk en open geweest over de adoptie. Vanaf het eerste moment vertelden we de kinderen steeds hetzelfde verhaaltje. Het was een soort sprookje over een mama die geen mogelijkheid had om voor haar kindje te zorgen, en toen kwamen Ria en Matthé en zij namen die zorg op zich. En die kinderen, dat waren Pamela en Thijs-Jan. Zoiets.

Iedereen in onze omgeving wist hoe de vork in de steel zat. De familie, de omgeving, de school. We hebben van adoptie nooit een geheim gemaakt. Het was ook geen punt, het speelde nauwelijks in ons dagelijks leven. Alleen die prachtige krullen van Pam, daar werd ze wel regelmatig op aangesproken: van wie heb je die? Tsja, dat wist ze niet.Opvoeden, dat deed ik aan de hand van het boek van dr. Spock, met als basisprincipes rust, reinheid en regelmaat. Dat paste wel bij mij, dat systeem had ik als kleuterjuf in de klas ook altijd toegepast. Op tijd beginnen, op tijd spelen, op tijd stoppen. Maar Pamela was het er niet altijd mee eens. Ze was heel ondernemend. We zijn haar als klein meisje ook wel eens kwijt geweest, zat ze zonder overleg zomaar binnen bij mensen, een paar deuren verderop. En bijna elk schooljaar moesten we wel een keer op het matje komen omdat ze te druk was in de klas. Ze kon moeilijk haar beurt afwachten en riep het goede antwoord al voordat andere kinderen de kans kregen om wat te zeggen.

Thijs-Jan heeft ook wel eens hard met de deur geslagen en is weggelopen. Maar hij kwam gelukkig vrij snel weer terug. Dat hoort er allemaal bij. We hebben echt ontzettend geboft met onze kinderen. Nooit hebben we grote problemen met ze gehad. Pam en Thijs-Jan konden over het algemeen ook goed met elkaar overweg. We vormden een harmonieus gezin. Ze zijn wel vrij jong het huis uitgegaan. Thijs-Jan op zijn zestiende, omdat hij naar de zeevaartschool wilde, en daarvoor moest hij naar een internaat. Pamela op haar achttiende, toen ze aan Nijenrode ging studeren.

De adoptie was vroeger eigenlijk nooit een issue. Pas later kwam dat steeds vaker ter sprake. Pamela was wat overwerkt en overwoog om haar biologische moeder te gaan zoeken. Maar uit een groot gevoel van loyaliteit naar ons toe wilde ze dat eigenlijk ook weer niet doen. Wij vonden dat echter helemaal geen probleem, juist heel begrijpelijk. Het is bovendien hún leven. Wij hebben geprobeerd om ze als ouders richtlijnen mee te geven, verder moeten ze het zelf doen. Pamela en Thijs-Jan hebben beide wel eens gezegd: mijn kinderen wil ik op dezelfde manier opvoeden als jullie hebben gedaan. Nou, een groter compliment kun je niet krijgen.

Matthé en Ria Potters zijn de adoptieouders van Pamela Potters.