Au mijn hoofd

19-06-2009 - De konden er de laatste weken niet om heen. Iedereen die ook maar enigszins iets met de wereld van adoptie te maken had kwam in de media voorbij. De deelbemiddeling! De voor- en tegenstanders kwamen in beeld. De deelbemiddeling blijft, de minister ging om en het bracht mij in verwarring. Het maakt mij boos.
'Ben ik nu voor of tegen adoptie?' Vroeg ik mij meerderenmalen de afgelopen weken af. Tegen natuurlijk. Maar had ik zelf niet aan adoptie meegewerkt? Au mijn hoofd.

Zaterdagmorgen 13 juni; ik ben op weg naar Rotterdam, op mijn autoradio hoor ik Hans Walenkamp. Hij is adoptievader van drie over de hele wereld vandaan komende kinderen. Hij kan er prachtig over schrijven en kan er nog boeiender over vertellen. Hij was van het begin af aan dolgelukkig met zijn inmiddels volwassen geadopteerde kinderen. Ik ken Hans, zijn kinderen ken ik niet maar ik neem aan dat zijn kinderen andersom ook dolgelukkig met hem zijn.

Mijn gedachten glijden weg. Ik ben terug in Bangladesh, in het ziekenhuis waar ik werkte in de jaren 70. Ik zie de moeders voor me met hun uitgemergelde kind in hun armen. Uit hun borsten komt al dagen, misschien zelfs weken, geen druppel melk.

Het kind in haar armen is volkomen uitgedroogd en zwaar ondervoed. De moeder kijkt weg. Ze heeft allang afstand van dit kind in haar armen genomen. Dit kind was er net één te veel. Ze moet overleven om de rest van haar kinderen te redden. Dit kind kan er echt niet meer bij, ze heeft geen plek. Ze laat het kind bij ons achter in het ziekenhuis. Wij twijfelen of het kind de avond wel haalt.

’s Morgens bij binnenkomst keek ik snel in de bedjes. Lag er een witte bundel of een baby die de nacht heeft overleefd? Als het kind de ochtend had gehaald wisten we ‘dit is een vechtertje’. Deze gaat het wel redden. Maar redden voor wat? Voor het leven bij een moeder die niet voor haar kind kan zorgen. Weken gaan er voorbij en het kind krabbelt langzaam overeind. Het bloeit op, er verschijnt steeds vaker een lach op het gezicht. Ik kriebel op zijn buik en het kind rolt om van de lach. In gedachten smeek ik om een goed tehuis voor dit kind. Ik hoop zo dat dit kind geadopteerd zal worden. Want de tijd heeft ons geleerd dat als het kind gezond naar huis terugkeert, het over een half jaar weer terug is. In dezelfde conditie als het maanden geleden bij ons arriveerde of nog slechter.

‘Tijden veranderen’ hoor ik Hans zeggen. ‘Een kind wordt steeds vaker in het land van herkomst geadopteerd’en hij vindt dit een goede zaak. ‘Een kind hoort in het land van herkomst geadopteerd te worden’, zegt hij. Ik voel een brok in mijn keel en de tranen prikken in mijn ogen. Ik ben in verwarring. Is er een goede zaak aan adoptie?
Au mijn hoofd!

Renée de Bode-Grollée